Van Mirlaer

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Van Mierlaer

Van Mierlaer is een uitgestorven adellijk geslacht in het huidige Meerlo in Noord-Limburg. De naam kent onder meer de volgende andere schrijfwijzen: Van Mirlaer, Mirlair, Myrlaer, Myerlaer, Mijrlaer, Myrlar, Mierlaar, Mierlar. Bij zorgvuldige bestudering van de vele aktes kunnen we vaststellen dat de Heren van Mierlaer hun naam zelf meestal schreven als "van Mierlaer". In aktes die elders zijn opgesteld vinden we de diverse andere, vaak fonetische schrijfwijzen. Volgens sommige naamkundigen zou de Groote Molenbeek (een nog jonge naam) die door Sevenum, Horst en Meerlo stroomt vroeger "de Mier" geheten hebben. De naam Mier, die duidt op een moerassig gebied, vinden we nu nog terug in de Mierbeek bij Grubbenvorst. De uitgang -laer gaat terug op het oud-Germaans en duidt op een open, bewoonde plek. Wij volgen verder de schrijfwijze van Mierlaer.

Wapen

Mirlaer.png

Zes dwarsbalken afwisselend van goud en sabel (zwart).
Tegenwoordig vinden we elementen van dit wapen nog in diverse (stads)wapens terug, o.a. in Horst, Korschenbroich en Meiderich (Duisburg) en ook nog in familiewapens zoals bij de familie von dem Knesebeck-Milendonck.

De Vrije Heerlijkheden

In het duister van de vroege Middeleeuwen vinden in het huidige Noord-Limburg langs de Maas enkele vrije heerlijkheden hun ontstaan, zoals Geijsteren, Spraeland (Oostrum), Oirlo, Meerlo, Blitterswijck, Ooijen, Broekhuizen, Horst en Grubbenvorst. De heersers over deze vrije heerlijkheden waren meestal nakomelingen van de zelfstandig geworden leenmannen uit de na-Karolingische tijd. In tegenstelling tot veel andere gebieden (Holland, Vlaanderen, Brabant) die al snel een eenheid waren, viel de vroegere Maasgouw (globaal de huidige provincie Limburg) in de na-Karolingische tijd uiteen in diverse graafschappen en kleine vrije heerlijkheden, zonder centraal gezag. Daarnaast hadden diverse kerken en kloosters er bezittingen die ze lieten beheren door voogden.

In 1021 werd Gerardus Flamens door de Duitse keizer met Wassenberg beleend. Rond 1095 verplaatste een nakomeling van Gerardus Flamens, graaf Gerard I, zijn zetel van Wassenberg naar Gelre waar hij enkele voogdijen bezat. Ongeveer gelijktijdig met het verplaatsen van de zetel van de graven van Gelre van Wassenberg naar Gelre beleende de Duitse keizer in 1096 Hendrik van Malsen, die afkomstig was uit de Betuwe, met het land van Kuik. Zowel de heren van Kuik als de graven van Gelre begonnen in de 12e en 13e eeuw hun invloed over het gebied van de vrije heerlijkheden uit te breiden. Lange tijd konden deze vrije heerlijkheden zich handhaven, maar tussen 1250 en 1400 droegen zij hun bezittingen toch in leen op aan de machtigere heren van Kuik of de graven van Gelre, maar ook aan de heren van Heinsberg, Gulik en zelfs aan de graven van Holland. Uiteindelijk kwam het hele gebied van de vrije heerlijkheden onder de invloedssfeer van het hertogdom Gelre. Het deel van het hertogdom Gelre waarin de vrije heerlijkheden lagen, werd het Overkwartier van Gelre genoemd.

Onder de heerschappij van de Hertogen van Gelre en ook onder hun rechtsopvolgers namen de vrije heerlijkheden echter nog eeuwen lang een bijzondere plaats in met een grote mate van zelfstandigheid zoals blijkt uit diverse documenten. In 1713 komt Meerlo formeel onder Pruisisch bestuur maar de schepenen weigeren trouw te zweren aan de koning van Pruisen omdat zij trouw gezworen hebben aan hun eigen heer (Frans Karel van Winckelhuizen) en in 1739 schreef de toenmalige heer van Well aan het Hof van Gelder: “….de vrije heerlijckheit Well altijdt eene oude vrijheerlijcheit is geweest die haer eyghen heeren buiten twijffel all hefft gehadt voor en alleer villicht voogden of Graeven van Gelderland sijn gewest”. (ook op de oostoever van de Maas lagen enkele vrije heelijkheden zoals Well en Arcen). Aan het bestaan van de heerlijkheden kwam pas een einde onder de Franse bezetting. Op 17 februari 1800 werden de heerlijkheden Meerlo-Tienray, Swolgen en Blitterswijck samengevoegd tot een gemeente.

Graafschap, Ambt en Land van Kessel

Deze begrippen worden nogal eens door elkaar gehaald.
Ten zuiden van de hiervoor genoemde vrije heerlijkheden lag ook nog het Graafschap Kessel. Hoewel het huidige Noord Limburg in latere eeuwen het Land van Kessel werd genoemd hebben de graven van Kessel nooit enige invloed gehad op het gebied van de vrije heerlijkheden. Hun bezitingen lagen hoofdzakelijk in het gebied tussen Maas en Rijn terwijl zij zelf ook meestal in hun Keulse bezittingen verbleven. Op de westoever van de Maas bezaten zij behalve Kessel alleen Maasbree en Helden en mogelijk ook Sevenum. In 1279 verkocht de graaf van Kessel zijn bezittingen op de Westoever van de Maas aan de graaf van Gelre.

Zoals we hiervoor al zagen lagen er op de westoever van de Maas een aantal vrije heerlijkheden (b.v Meerlo, Ooijen, Broekhuizen en Grubbenvorst) die onder het gezag stonden van plaatselijke heren. Daarnaast waren er echter ook een aantal dorpen waar de graaf, later hertog van Gelre, zijn gezag wist te vestigen. Tot deze dorpen behoorden o.a. Venray, Wanssum, Swolgen, Lottum en Sevenum. Deze dorpen werden door de graaf bestuurlijk verenigd in het Ambt van Kessel. De vrije heerlijkheden maakten dus geen deel uit van het ambt van Kessel en de ambtman had daar ook geen zeggenschap. Het ambt van Kessel was dan ook geen aaneengesloten gebied, maar een lappendeken van onderling niet verbonden dorpen.
Ingewikkeld was de situatie in Horst. Na de dood van de toenmalige heer van Horst Jan van Mierlaer in 1371, werden huis en heerlijkheid van Horst verdeeld onder zijn erfgenamen. Tot 1514 zouden de heren van Mierlaer en hun rechtsopvolgers in het bezit blijven van een helft van Horst. De andere helft van huis en heerlijkheid kwam in 1457 aan de hertog van Gelre en behoorde daarmee tot het het ambt van Kessel.
In 1673 verkocht de toenmalige heerser, de koning van Spanje, de verschillende dorpen uit het ambt van Kessel aan lokale heren. Het ambt van Kessel verloor daarmee zijn bestaansgrond. Na de komst van het Pruisisch bewind in 1713 werd het definitief opgeheven.

Met het Land van Kessel wordt het totale gebied van de vrije heerlijkheden en het ambt van Kessel aangeduid. Dit is dus slechts een geografische aanduiding zonder juridische of bestuurlijke status.

Het kasteel

Het kasteel van de Heren van Mierlaer lag aan de Groote Molenbeek. De Molenbeek was belangrijk voor de wateraanvoer en voor de visvangst (zalm en snoek). Het is dan ook niet verwonderlijk dat de heren van Mierlaer al vroeg bezittingen hadden stroomopwaarts van de Molenbeek zoals "het goet te Tienrade" en de Heerlijke Rechten van Horst. Ook stroomafwaarts in Wanssum hadden zij bezittingen (Het goed "ten Berge"). Niet alleen vanwege de ligging aan de Molenbeek, op enkele kilometers van de monding in de Maas was de ligging van het kasteel strategisch. Op korte afstand van het kasteel passeert namenlijk ook de oude Romeinse Heerbaan van Maastricht naar Nijmegen het kasteel. Reizende edellieden vonden in het kasteel een plaats om te overnachten. Dit verklaart ook mede de vele contacten die de van Mierlaers van ouds hadden.
In de vroege ochtend van 12 november 1581 overvielen troepen van de Prins van Oranje onder leiding van de overste von Hohensax het dorp Meerlo. Het grootste deel van het dorp werd platgebrand en 30 inwoners werden gedood. Bij deze gelegenheid werd ook het eeuwenoude kasteel van de Heren van Mierlaer verwoest. In 1619 werd het huidige "Kasteelke" aan het Moleneind gebouwd.

Genealogie

De oudste vermelding vinden we in een akte uit 1134 waarin Hermanno de Mirlare genoemd wordt onder de getuigen "leeken en geestelijken van grooten invloed" van de Utrechtse bisschop Andries van Cuijk bij de schenking van de kerk van Lochem aan de kanunniken van Zutphen door gravin Ermengardis, de weduwe van graaf Gerard (van Gelre).
Er bestaat geen familiearchief van de heren van Mierlaer, maar door hun optreden in tientallen documenten kunnen we hun genealogie vanaf het begin van de dertiende eeuw toch reconstrueren.

Generatie 1

  • Ia. Jacob (I) van Mierlaer, vermeld 1213-1240. Hij was getrouwd met een dochter van Arnold van Straelen en Mechtildis van Gesserne (Wachtendonk). Hieruit een zoon: Jacob van Mierlaer, volgt II.

Jacob onderhield nauwe contacten met zowel de Heren van Meerhem (bij Roermond) als met de Heren van Kuijk, maar ook met de Graven van Gelre en Holland. In 1213 is hij getuige voor Rutger van Meerhem. In 1240 zegelt hij een akte van Hendrik III van Kuijk. Via zijn vrouw kwam de familie van Mierlaer rond 1260 in bezit van 1/3 deel Well en 1/3 deel Afferden (met onder meer het goed Bleijenbeek).

  • Ib. Herman van Mierlaer vermeld 1213. Hij was een broer van Jacob I.
  • Ic. Godefridus van Mierlaer, vermeld 1224 - 1230. Godefridus bezat goederen in Hamme (Sonsbeck).

Generatie 2

II. Jacob (II) van Mierlaer vermeld 1240-1268. Hij was getrouwd met een dochter (Alveradis?) van Hendrik III van Kuijk en N.N. van Putten. Door dit huwelijk was Jan van Kuijk (1254-1308) zijn zwager. Jacob bezat goederen te Zoelmond (Betuwe) en Delft ('t Woud). Voor deze laatste goederen was hij ambtman van de graaf van Holland. Via zijn vrouw verkreeg hij ook goederen onder Katendrecht (Rotterdam) uit het bezit van de Heer van Putten. Jacob sneuvelde bij het beleg van Keulen op 15 oktober 1268.

Kinderen van Jacob (II):

  1. Jacob van Mierlaer, volgt III.
  2. Elisabeth van Mierlaer. Zij was getrouwd met Jan van Heusden, een jongere zoon van Jan II van Heusden (gesneuveld 1268) en Aleid van Arberg. Ten aanzien van het vermelden hier van Elisabeth van Mierlaer moet enig voorbehoud gemaakt worden. Weliswaar wordt zij in diverse genealogien vermeld, er zijn echter geen archivalia bekend die haar bestaan onderschrijven. Wel zijn er diverse documenten die wijzen op nauwere contacten tussen de Heren van Mierlaer en Heusden. Zo is in 1306 Jacob van Mierlaer vertrouweling van de heer van Heusden en in 1388 beleent Jacob van Mierlaer Peter Beinen met een hofstede onder Doveren (Heusden).
  3. Peter van Mierlaer, vermeld 1319-1330. Peter was getrouwd met Beatrix van Oyen, dochter van Godfried van Oy(en). In 1319 schenkt Otto van Kuyk diverse goederen in (Neer)loon aan Peter van Mierlaer en zijn vrouw en kinderen.

Generatie 3

III. Jacob (III) van Mierlaer, vermeld 1275-1310. Jacob vocht mee in de slag bij Worringen (1288) aan de zijde van Jan van Kuijk en de Hertog van Brabant tegen onder meer de Graaf van Gelre. Jacob erfde van zijn vader de "Hollandse goederen" in Delft en Katendrecht. In 1303 scheldt hij de graaf van Holland alle schulden kwijt die deze jegens hem heeft en verbindt hij zich met zijn nakomelingen aan de Graaf van Holland. Een jaar later is de graaf echter al overleden. Het laatste optreden van Jacob is in 1310 als Jacobus Dominus de Mirlaer een akte zegelt van Johannes Dominus de Kuyck (Jan II van Kuijk).

Kinderen van Jacob (III):

  1. Jacob van Mierlaer volgt IV.
  2. Alverade van Mierlaer, vermeld van 1319-1339. Getrouwd met Dirk van Groenouwen (overleden 1332), daarna met Hendrik Heer van Haps. Alveradis erfde de goederen te Delft van haar vader Jacob van Mierlaer. Alveradis bezat ook 30 morgen land te Est nabij kasteel Waardenburg (Betuwe) welke na haar overlijden in 1339 werden afgestaan aan haar broer, de domproost Hendrik van Mierlaer. Het goed te Est was in totaal 159 morgen groot. Nog in 1377 wordt Jacob van Mierlaer genoemd als leenman van Est.
  3. Agnes van Mierlaer. Zij trouwde rond 1333 met Johan de Cock van Weerdenburgh (Waardenburg). Johan treedt veelvuldig op voor de Hertog van Gelre, samen met zijn zwager Jacob IV van Mierlaer en later met diens zonen Jacob V en Jan van Mierlaer. Op voordracht van Jan van Mierlaer benoemt Hertog Eduard Johan de Cock in 1356 tot rentmeester van Gelre. Agnes overleed reeds enkele jaren na haar huwelijk. De enige kleindochter van Agnes van Mierlaer en Johan de Cock, Agnes de Cock van Weerdenburg, trouwde met Willem van Broeckhuysen.
    Agnes van Mierlaer, de echtgenote van Johan van Weerdenburgh wordt vaak verward met Agnes van Meerlo, afkomstig van het riddermatige goed Meerlo onder IJsselstein (Utrecht). Deze laatste Agnes was in eerste huwelijk getrouwd met Barend van Doornwaard. Barend komt in diverse aktes voor samen met Jacob III van Mierlaer. In 1311 verkopen Agnes en haar man hun tienden te Meerlo (IJselstein) aan Gijsbert van Amstel en zijn vrouw Bertha van Heukelom. Een paar jaar later hertrouwt Agnes van Meerlo met Herbaren van Heukelom, een broer van Bertha.
  4. Hendrik van Mierlaer vermeld 1314-1362. Hendrik van Mierlaer was priester in Kuijk en Millingen. Hij was "Decretorum Doctor", (doctor in het Kerkelijk Recht). In 1327 werd hij benoemd tot Kanunnik van de Dom te Utrecht. In 1337 volgde zijn benoeming tot Domproost van Utrecht. In deze functie was hij de tweede man in het Bisdom, direct na de Bisschop. Hij komt voor in tal van aktes als beslisser in kerkelijke en wereldlijke aangelegenheden. Hendrik was een vermogend man en liet op eigen kosten het huis Doorn herbouwen. In 1363 verklaren de broers Jacob en Johan van Mierlaer afstand te doen van de goederen die hun oom, de domproost Hendrik van Mierlaer, hun heeft nagelaten.

Generatie 4

IV. Jacob (IV) van Mierlaer vermeld vanaf 1307. Hij was getrouwd met Beatrix van Beeck, een dochter van Sizo van Beeck en Mette van Uitwijk uit het Roermondse Voogden geslacht. In 1307 en 1308 was hij schout van Den Bosch nadat Jan van Kuijk daar op verzoek van de Hertog van Brabant de orde had hersteld. Na het overlijden van zijn vader in 1310 keerde hij terug naar het stamslot in Meerlo om de familiebelangen te behartigen. Na het overlijden van Jan van Kuijk in 1308 was Jacob (IV) de eerste van Mierlaer die zich op de Graven van Gelre ging richten. Zijn zoon (Jacob V) ontving zelfs zijn opvoeding aan het hof van de Gelderse Graven. Toen in 1318 de nog jonge graaf Reinald II zijn zwakzinnige vader Reinald I gevangen zette, was Jacob IV de voornaamste raadgever van de Graaf en zijn moeder Margaretha van Vlaanderen. In 1326, bij het definitieve aantreden van Graaf Reinald II, droeg Jacob zijn goederen in Meerlo (niet de Heerlijke Rechten) in leen op aan de Graaf. Naast Heer van Meerlo was Jacob ook Heer van het nabijgelegen Horst. In 1333 behoorde Jacob IV tot de vertrouwelingen die namens Graaf Reinald II bij de Engelse koning met succes om de hand van diens dochter Eleonora gingen vragen. In latere jaren raakte Jacob steeds meer in de schaduw van zijn beide zonen Jacob (V) en Johan. Jacob is vermoedelijk kort voor 1360 overleden.

Kinderen van Jacob (IV):

  1. Jacob van Mierlaer, volgt V.
  2. Johan van Mierlaer, vermeld van 1348-1371. Na het onverwachte overlijden van Hertog Reinald II van Gelre in 1343 ontbrande een opvolgingsstrijd tussen zijn beide zoons Reinoud III en Eduard die uiteindelijk gewonnen werd door Eduard. Johan van Mierlaer behoorde, samen met Jan van Moers, tot de trouwste bondgenoten van Hertog Eduard. Vermoedelijk volgde hij aanvankelijk een geestelijke loopbaan. Vanaf 1348 komt hij in talrijke akten voor als adviseur en vertrouweling van hertog Eduard. Johan was ook goed bevriend met de Aartsbisschop van Keulen, Willem van Gennep. In 1356 benoemde Willem Johan van Mierlaer tot zijn vasal als erkenning voor de trouwe diensten die Johan geleverd had aan de Bisschop en aan de kerk van Keulen. In 1358 draagt Jan van Mierlaer zijn hoeve genaamd Ten Kampe (De Kamp) te Reuver-Leeuwen in manleen op aan de aartsbisschop van Keulen. Jan was Drost van het ambt Montfort. Vanaf 1365 wordt hij ook genoemd als Heer van Horst. In 1368 wordt Jan ook Heer van Well. Jan lag regelmatig overhoop met Hertog Wenceslas van Brabant en met Johann von Reifferscheidt, Heer van Reifferscheidt en Maarschalk van Westfalen. De ruzie met Hertog Wenceslas escaleerde in het najaar van 1366 toen Jan van Mierlaer met een leger binnenviel in de Meierij van Den Bosch en een groot aantal gevangenen en een aanzienlijke buit meenam. In 1368 bemiddelde Hertog Albrecht van Beieren, Ruwaard (voogd) van Holland in een vredesverdrag. Wenceslas moest aan Jan van Mierlaer een groot bedrag aan gouden munten betalen. Jan op zijn beurt moest Wenceslas schadevergoeding betalen. Waarschijnlijk ook in verband met deze afhandeling beleende Wenceslas Jan van Mierlaer in juli 1371 met het slot Wassenberg. Veel plezier heeft Jan daar echter niet meer van gehad. Hij sneuvelde een maand later in de slag bij Baesweiler. Jan was ongehuwd, maar liet wel twee bastaardzoons na (Hendrik en Godert). Zij deelden wel in zijn erfenis, maar niet in het allodiale deel daarvan.
  3. Christina van Mierlaer, vermeld 1372-1381. Christina was getrouwd met Roelman van Ahrenthal, heer van Ahrenthal (nabij Sinzig in de Eifel). Christina erfde in 1372 de heerlijkheid Well en goederen te Horst van haar overleden broer Jan van Mierlaer en bracht zo Well aan de familie van Ahrenthal. De oudste zoon van Roelman en Christina, Hendrik van Ahrenthal, erfde Ahrental. De tweede zoon, Salentijn van Ahrenthal, kreeg de heerlijkheid Well en goederen te Horst. Hun dochter Agnes zag in 1375 af van alle aanspraken op de erfenis. Hun dochter Mechtild was abdis van het klooster Gravendael. Salentijn was getrouwd met Mechtild van Broekhuizen, een zus van Johanna van Broekhuizen (de vrouw van Jacob VI van Mierlaer). Met Roelman van Ahrental liep het slecht af. Toen hij in 1380 samen met de aartsbisschop van Keulen en edelen uit de omgeving Kerstmis vierde op de burcht van de aartsbisschop werd hij tijdens een ruzie dood gestoken.
  4. Mechtildis van Mierlaer, vermeld 1353-1386. Mechtildis was getrouwd met Herman van Lieventhal, ambtman van Hulchrath (Grevenbroich). In 1371 werd hij door aartsbisschop Frederik van Keulen beleend met slot Lievendaal te Wevelinghoven (Grevenbroich). Mechtildis erfde in 1372 goederen in Horst van haar broer Jan van Mierlaer. Uit het huwelijk van Herman en Mechtildis werden twee zonen geboren, Herman en Johan. De oudste zoon Herman werd in 1396 door de Keulse aartsbisschop beleend met Wevelinghoven en het bijbehorende slot Lievendaal, maar moest dit uiteindelijk duur bekopen. In 1425 werd hij vermoord door zijn jaloerse broer Johan.
  5. Arnold van Mierlaer, knaap in 1343, nog vermeld in 1347. Vermoedelijk betreft dit in echter Arnold van Herlaer.

Generatie 5

V. Jacob (V) van Mierlaer, vermeld 1313-1387. Hij was getrouwd met Guda van Swalmen, dochter van Seger Vosken van Swalmen (van Broeckhuysen), maar leefde lange jaren gescheiden van haar. In 1365 werd het huwelijk opnieuw bevestigd om de bezittingen en erfenissen veilig te stellen. De allodiale bezittingen in Horst kwamen in dat jaar aan zijn broer Jan van Mierlaer. Samen met zijn broer Jan had Jacob ook inkomsten uit Well en uit bezittingen in Beuningen en Ewijk die zij hadden geerfd van hun tante Alveradis van Mierlaer en haar man Dirk van Groenouwen.
In zijn kinderjaren verbleef Jacob aan het Hof van de Graven van Gelre en was er Page van de latere Hertog Reinoud II. Al op jonge leeftijd komt hij in talrijke aktes voor, aanvankelijk samen met zijn vader. In 1339 bij de benoeming van Reinoud II tot Hertog, benoemt de Duitse Keizer Jacob van Mierlaer tot Erfdrost van Gelre. In 1343 is hij medeondertekenaar bij het verlenen van stadsrechten aan Venlo. Jacob was ook een bereisd man. Zo trok hij in het voorjaar van 1343 naar Granada om te Moren te bestrijden en in de winter van 1344/1345 vergezelde hij graaf Willem van Holland op diens kruistocht naar de Baltische Staten.

Na het onverwachte overlijden van Reinoud II in september 1343 neemt diens echtgenote Eleonora het bestuurlijke heft in handen. De wettelijke opvolger, Reinoud III is dan pas 10 jaar oud. De oude raadgevers van de Hertog, waaronder Jacob van Mierlaer, worden stilaan op non actief gezet. In de daarna ontstane opvolgingsstrijd tussen Reinoud III en zijn broer Eduard komt de laatste als overwinnaar te voorschijn en Jacob van Mierlaer trekt zich rond 1350 terug op kasteel Myllendonk nabij Monchen-Gladbach. In 1387 draagt Jacob van Mierlaer voor zich en voor zijn zoon Johan het slot Milendonk als open huis op aan Hertog Willem en Hertogin Maria van Gelre en Gulik.

Het oude geslacht van Myllendonk was rond 1298 uitgestorven. Het slot Myllendonk kwam toen aan een zijtak van de Heren van Reifferscheidt (Reifferscheidt-Wildenburg in de Eifel). Toen rond 1346 de laatste bewoner van het slot Myllendonk, Frederik van Reifferscheidt, was overleden zonder mannelijke opvolgers na te laten, viel Myllendonk als manleen terug aan de Hertog van Gelre die er daarna Jacob van Mierlaer mee beleende. Johan van Reifferscheidt, Heer van Reifferscheidt en Maarschalk van Westfalen en een achterneef van Frederik, was het hier echter niet mee eens en er ontstond een jarenlage vete tussen de familie van Reifferscheidt en de familie van Mierlaer om de rechten op Myllendonk. Deze strijd werd pas in het jaar 1400 bijgelegd.

Kinderen van Jacob (V):

  1. Jacob van Mierlaer volgt VIa.
  2. Seger van Mierlaer, overleden voor 1425. Seger was pastoor in Korssenbroich (bij Mönchen-Gladbach)
  3. Lucardis van Mierlaer. Vermeldt 1385-1426. Lucardis trouwde voor 1385 met Rutger van Heppendorf (alias van Alpen), heer van Garstorp, ambtman in Hulchrath (Grevenbroich). Van haar vader erfde Lucardis het huis Bleijenbeek (Afferden). In 1405 ruilden zij en haar man Bleijenbeek met Wijnand Schenck van Nydeggen tegen de grote tienden van Afferden. In 1412 hertrouwde Lucardis met Willem van Wevelinghoven, erfzoon van Wevelinghoven, heer van Grebben (Grubbenvorst). Deze Willem stamde uit het oude geslacht van de heren van Wevelinghoven (Grevenbroich). In de directe omgeving van Wevelinghoven lag ook de burcht Lievendael waar Herman van Lieventhal van afstamde.
  4. Johan van Mierlaer volgt VIb.

Generatie 6

VIa. Jacob (VI) van Mierlaer onmondig 1360-1363, knaap 1368, ridder in 1371, laatste vermelding in 1418. Hij is rond 1370 getrouwd met Johanna van Broeckhuysen, dochter van Johan van Broeckhuysen en Theodora van Buderich van het kasteel De Gun (Swolgen). Hij "deed het minder goed" dan zijn voorgangers en eindigde in bijna armoede. Vanaf 1376 treedt hij op als Heer van Mierlaer. Zijn vader leefde toen nog op kasteel Myllendonk. In 1390, na de dood van zijn vader, verkoopt hij het erfdrostambt aan Willem van Broekhuizen, heer van Broekhuizen, Loo, Spraeland en Geijsteren. Het laatste optreden van Jacob VI is in 1418 als hij Henric van Blitterswijck beleend met de helft van de Heerlijkheid Horst, een oud allodiaal bezit van de Heren van Mierlaer.

Kinderen van Jacob (VI) en Johanna van Broekhuizen:

  1. Johan van Mierlaer, vermeld 1390-1424, meestal samen met zijn broer Hendrik.
  2. Guda van Mierlaer, volgt VIIa.
  3. Hendrik van Mierlaer, volgt VIIb.
  4. Mechtild van Mierlaer. Zij was getrouwd met Gottschalk von Stommel, een Keuls diplomaat.
  5. Bela van Mierlaer, overleden voor 1436. Zij was voor 1412 getrouwd met Willem van Elmpt (Elmete), zoon van Willem van Elmpt en Agnes van Vianen (Vianden?). Uit dit huwelijk werden 7 kinderen geboren. Bela en Willem woonden op het eiland Oesel (in de Baltische Zee in de golf van Riga). Willem van Elmpt behoorde hier, samen met diverse andere ridders uit het Rijnland en Westfalen, tot de "Oeselse Ritterschaft". Een zoon en een dochter (Willem en Gutta van Elmpt) keerden voor 1450 naar het Rijnland terug. Gutta trouwde met Gerard van Hoemen.

VIb. Johan van Mierlaer, vermeld 1378-1411. Hij trouwde in 1378 met Bela Scheiffart van Merode. Van zijn vader, Jacob V van Mierlaer, erfde hij na 1387 Myllendonk. Hieruit ontstond het geslacht van Mierlaer van Myllendonk. In 1390 wordt Johan voor het eerst vermeld als heer van Myllendonk.
Over de ouders van Bela Scheiffart van Merode bestaat enige onduidelijkheid. De verschillende regesten uit deze periode spreken elkaar tegen met betrekking tot de familierelaties. Waarschijnlijk was Bela een kleindochter van de roofridder Johan Scheiffart van Merode die op de burcht Hemmersbach bij Keulen woonde. Deze Johan was gehuwd met Margaretha van Muellenark-Tomburg en in tweede huwelijk met Aleid van Reifferscheidt-Millendonk. Op Kerstavond van het jaar 1366 werd de burcht Hemmersbach door Keulse troepen veroverd en verwoest. Johan werd samen met drie van zijn zoons en een tiental andere ridders gevangen genomen en geradbraakt. Een zoon Hendrik overleefde de slachting en bouwde later de burcht Hemmersbach weer op.

Detail van De Roermondse Passie, met rechts het wapen Van Mierlaer-Millendonck.
Kinderen van Johan van Mierlaer en Bela Scheiffart van Merode:
  1. Bela van Mierlaer, vanaf 1447 abdis in de Munsterabdij te Roermond, overleden 1459. Bela gaf opdracht voor het vervaardigen van het bekende schilderij "De Roermondse Passie". Op dit schilderij staat zij zelf afgebeeld naast het wapen van de familie van Mierlaer-Millendonck.
  2. Johan van Mierlaer, volgt VIIc.

Generatie 7

VIIa. Guda van Mierlaer, overleden rond 1457. Zij was getrouwd met Karel Spede (vermeld 1406-1460). In 1406 verkreeg zij Tienray van haar vader. Tussen 1418 en 1426 erfde zij Huis en Heerlijkheid van Meerlo.

Kinderen van Guda en Karel Spede:

  1. Johanna Spede. Zij was ongehuwd. In 1460 volgde zij haar vader op als Vrouwe van Mierlaer. In 1481 verkocht zij al haar Meerlose goederen aan haar neef Karel van Aldenbruggen, getrouwd met Barbara van Baerlo (Karel was een zoon van haar zus Elisabeth). Na de familie van Aldenbruggen kwam Meerlo in 1532 aan de familie van Winckelhuysen, in 1739 aan de familie van Hatzfeldt en in 1834 aan de familie de Cocq van Haeften.
  2. Elisabeth Spede. Elisabeth trouwde rond 1447 met Johan van Aldenbruggen alias van Velbruggen, Heer van Aldenbruggen en Velmercken (Neuss/Düsseldorf). Johan overleed in 1481, Elisabeth in 1484.

VIIb. Hendrik van Mierlaer, ook genaamd van de Hatert, vermeld 1390-1444. Hendrik huwde Agnes de Roever (van de Hatert). Hij kwam, via zijn vrouw of uit een erfenis van Arendael, in bezit van de Hatert onder Vierlingsbeek. In 1422 erfde hij ook het huis De Gun (onder Swolgen) uit het bezit van zijn moeders familie. Zijn nakomelingen leven nog enkele generaties. Een geregelde stamboom is hiervan echter niet samen te stellen.

Kinderen van Hendrik van Mierlaer en Agnes:

  1. Peter van Mierlaer van de Hatert, vermeld 1431-1468. Hij wordt, net als zijn broer Godert, regelmatig genoemd in verband met Vierlingsbeek. Peter had een zoon Hendrik
  2. Godert van Mierlaer van de Hatert, vermeld 1431-1475. Hij was getrouwd met Margaretha de Rovere dochter van Willem Brant de Rovere. Uit dit huwelijk twee zoons, Henricus en Willem Brant de Meerlo. In latere jaren wordt Godert ook genoemd in relatie tot Horst.
  3. Floris van Mierlaer, vermeld 1443-1474. Hij treedt regelmatig op, samen met zijn moeder Agnes in relatie tot Horst.
  4. Johan van Mierlaer,vermeld 1468-1474. Ook hij wordt enkele malen genoemd in relatie met Horst.
  5. Mechtild van Mierlaer. Zij was getrouwd met Dirck Baden, rechter te Roermond.

VIIc. Johan van Mierlaer van Myllendonk, vermeld 1420-1463, Heer van Myllendonk, drost van Wachtendonk. Hij trouwde Odila van Vlodrop, dochter van Gerard van Vlodrop en Elisabeth van Schoenau. Odilia van Vlodrop was erfgename van Schoenau.

Kinderen van Johan van Mierlaer van Myllendonk en Odilia van Vlodrop:

  1. Johan van Mierlaer van Myllendonk, volg VIII.
  2. Gerard van Mierlaer van Milendunc, overleden na 1450. Hij was getrouwd met Barbara Moller, een kleindochter van Bela van Mierlaer en Willem van Elmpt. Gerard was Drost van de Bisschop van Oesel en behoorde ook tot de Oeselse Ritterschaft. Een zus van Barbara Moller trouwde op Oesel met Willem van Bronckhorst.
    17 Augustus 1527: Testament van Johan van Mierlaer uit Medel, getrouwd met Barbara van Buttlar. Johan begunstigt in dit testament zijn dochter Elisabeth, getrouwd met Diederik van Brakel, rechter in leenzaken te Medel. (Medel of Meedla is een riddermatig goed op Oesel). Waarschijnlijk was Johan van Mierlaer een zoon van Gerard van Mierlaer en Barbara Moller.
  3. Willem van Mierlaer. In 1476 was hij deken van St. Gregorius in Keulen.

Generatie 8

VIII. Johan van Mierlaer vermeld 1456-1473, Heer van Myllendonk en Schoenau, trouwde 1. Kunigunde van Birgel en 2. Sybilla (Belia) Steck, dochter van Craft Stecke, heer van Meyderich (Duisburg).

Kinderen van Johan en Belia:

  1. Johan van Mierlaer, volgt IX.
  2. Craft van Mierlaer , vermeld 1484-1496. Kinderloos overleden.
  3. Johanna van Mierlaer

Generatie 9

IX. Johan van Mierlaer van Myllendonk, vermeld 1478-1504. Heer van Myllendonk. Hij was getrouwd met Agnes van Hoemen, dochter van Gerard van Hoemen en Margaretha van Pallandt, erfgename van Ruland.

Kinderen van Johan van Mierlaer van Myllendonk:

  1. Hendrik van Mierlaer (Hinrich) overleden in of kort voor 1525, heer te Meiderich, ambtman van Orsoy en Ruhrort, trouwde Johanna Scheiffart van Merode. Hij stierf kinderloos.
  2. Johan van Mierlaer vermeld 1488-1514, heer van Myllendonk.
  3. Dirk van Mierlaer, volgt X

Generatie 10

X. Dirk van Mierlaer (Diederich) vermeldt 1514-1549. Na het overlijden van zijn broer Johan in 1514 heer van Myllendonk. Daarnaast heer van Drachenfels, Meiderich, Goor, Frohnenbruch, Schönau en Rulandt, drost te Montfoort, Wolkenburg en Ruhrort. Hij trouwde Agnes van Drachenfels, dochter van Godart van Drachenfels en Elisabeth de Roover van Montfort, vrouwe van Ghoor, Meyel en Vronenbroich. Dirk liet de naam van Mierlaer meestal achterwege en noemde zich dan uitsluitend van Mil(l)endon(c)k of van My(l)lendon(c)k.

Kinderen van Dirk en Agnes:

  1. Elisabeth van Milendonk vermeld 1549, trouwde Adolph van Wylick.
  2. Diederich van Milendonk, (lijn Milendonk-Drachenfels). Volgt XIa.
  3. Craft van Milendonk vermeld 1519-1550, ridder, heer te Meiderich en Schönau, drost te Orsoy. Hij overleed kinderloos in 1574
  4. Godert (Gotthard) van Milendonk, (lijn Ghoor, Fronenbruch, Meyel). Volgt XIb.
  5. Alveradis van Milendonk, overleden in 1564

Generatie 11

XIa. Dirk van Milendonk (Diederich), ridder, heer van Myllendonk en Drachenfels, medeheer van Reuland, Wolkenburg en Koenigswinter, burggraaf van het aartsbisdom Keulen, overleden voor 1589. Dirk trouwde 1. Theodora van Bronckhorst-Batenburg, dochter van Johan van Bronckhorst en Gertrudis van Loe en 2. Maria van Vlodrop.

Kinderen van Dirk en Theodora:

  1. Dirk van Milendonk, heer van Drachenfels. Hij overleed kinderloos voor 1590.
  2. Johan van Milendonk, heer van Myllendonk, Drachenfels en Meiderich. In 1596 trouwde hij met Maria, gravin van Limburg Stirum. Johan overleed kinderloos in 1622. Met hem stierf de rechtstreekse lijn van Mierlaer op slot Myllendonk uit. Zijn bezittingen werden verdeeld tussen zijn zusters Gertrudis en Elisabeth en hun erfgenamen.
  3. Gertrudis van Milendonk. Zij trouwde voor 1589 met Jacob graaf van Bronchorst-Anholt.
  4. Elisabeth van Milendonk. Zij trouwde in 1589 met Balthasar Freiherr van Pallandt.

XIb. Godert (Gotthard) van Milendonk, heer van Ghoor, Frohnenbruch, Meyel, Pol, Panheel en Pley. Hij trouwde met Maria van Brederode, dochter van Walram van Brederode en Anna, gravin van Neuenahr.

Kinderen van Godert en Maria:

  1. Gotfried van Milendonk. Hij stierf kinderloos
  2. Herman Dietrich van Milendonk. Heer van Ghoor, Meyel en Pley. Hij overleed in 1620. Uit hem de lijn Ghoor, Meyel en Pley.
  3. Kraft van Milendonk. In 1589 kreeg hij van zijn broer Balthasar de heerlijkheid Fronenbruch en Hoerstgen. Hij overleed in 1632. Uit hem de lijn Fronenbruch.
  4. Agnes van Milendonk, getrouwd met 1. Herman van Pelden en 2. Maximilian van Horn.
  5. Balthasar van Milendonk. Heer van Schoenau. Hij overleed in 1629. Uit hem de lijn Schoenau.

Nakomelingen van Herman, Kraft en Balthasar leefden nog enkele generaties. Uiteindelijk stierf het geslacht van Milendonk eind 18e eeuw in mannelijke lijn uit.

Persoonlijke instellingen