Armenmeester

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

De armenmeester (Latijn: 'magister pauperum') had de zorg voor de armenkas. Hij werd ieder jaar aangesteld door de bestuurders van een stad of dorp. De armenmeester maakte deel uit van het kerkelijk armenbestuur en werkte nauw samen met de kerkmeesters; vaak was hij ook zelf kerkmeester. Steden hadden meerdere armenmeesters tegelijkertijd. Zo had Roermond er in 1686 tenminste drie, in 1593 zelfs vier.
Een armenmeester moest natuurlijk goed kunnen rekenen. Hubert Janssen, in 1686 genoemd als armenmeester te Roermond, was tevens boekhouder. De armenmeester moest de inkomsten zelf goed in de gaten houden. In 1815 waren de inkomsten van de armenkas van Beesel gering 'door de slappigheid' van de ontvanger.

Het kwam geregeld voor dat een armenbestuur nog vorderingen had op een gewezen armenmeester. Zo werd Jan Hendrik Heijnes te Reuver in 1837 gedagvaard omdat de armenkas nog een voerdering op hem had. Eerder was hij al beschuldigd van "alderhande dwarsdrijverij" bij de betaling van het armengeld.
Ook wanbeheer kwam voor, zoals door Theodorus van der Velden te Reuver (1823).
Een beroep op de armenkas was voorbehouden aan de inwoners van een plaats. Als iemand verhuisde naar een andere plaats dan konden bestuurders van de nieuwe woonplaats een zogenaamde ontlastbrief of borgbrief eisen. In 1785 verklaarden schepenen van Born (D) verklaren op verzoek van schepenen van Beesel dat eventuele kinderen van Barbara Baltis uit haar aan te gaan huwelijk met Michgel Klassen bij onverhoopt overlijden van de ouders voor de helft zouden worden opgevoed op kosten van de armenkas van haar geboorteplaats Born.

De armenmeester was verantwoordelijk voor:

  • toezicht op de inkomsten en uitgaven van de armenkas
  • overdracht van goederen toebehorend aan het armenbestuur
  • het bijhouden van een armenregister

Voorbeeld van beheer van de armenkas, Beesel 1811

Brief L. van den Broeck, adjoint van Beesel, aan de prefect, betreffende betaling van 15 francs aan chirurgijn en verloskundige Hammarath te Venlo. De adjoint is door graaf De Borggraef, kapitein van de keizerlijke wolvenjacht, aangesteld als hoofd van deze jacht. Van den Broeck heeft de chirurgijn naar Wambach geroepen, de plaats voor de samenkomst van de drijvers, om een operatie uit te voeren op de onbemiddelde jongen Pierre Engelen, die op 15 september 1810, de dag van de algemene drijfjacht, door een onbekende met een geweerschot in de voet is getroffen. De betaalstaat van de adjoint was op 15 april 1811 goedgekeurd door de onderprefect te Roermond en op 22 mei 1811 door de prefect om te worden betaald door de leden van het Centraal Bureau van Weldadigheid te Venlo. Dit bureau heeft verklaard niets van de gemeente Beesel te hebben ontvangen, d.w.z. noch titels, noch renten noch opbrengsten. De adjoint heeft zich hierop herhaalde malen tot het Bureau van Weldadigheid te Beesel gewend, maar zonder resultaat daar dit bureau zei, niets in kas te hebben.

Van den Broeck wendt zich nu tot de prefectuur, niet alleen voor zijn eigen belang maar ook voor het geluk van de armen, want het gaat immers om het heil van de armen, in het bijzonder nu de dissenterie hier sinds lange tijd heerst. De adjoint weet heel zeker dat diverse particulieren sinds enkele jaren meer dan 600 francs aan achterstallige betalingen schuldig zijn aan de armen. De leden van het bureau zijn volgens hem nalatig doordat ze geen middelen hebben aangewend om de kwaadwilligen wettelijk tot betaling te dwingen. Daardoor worden de behoeftigen beroofd van hulp die zo noodzaakelijk is.

Persoonlijke instellingen