Herstel van de bisschoppelijke hiërarchie

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Naar een tweetal artikelen in Wikipedia

Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland werd in 1853 mogelijk gemaakt met de pauselijke bul “Ex qua die arcano” van 4 maart 1853. Hiermee werden de aartspriesterschappen in het noorden en de apostolische vicariaten in het zuiden opgeheven. Joannes Zwijsen werd benoemd als aartsbisschop van de heropgerichte Nederlandse kerkprovincie. Daarop begon het herorganiseren van de Rooms-Katholieke Kerk in de vijf bisdommen : Utrecht, Haarlem, ’s Hertogenbosch, Breda en Roermond. Ter ere van Sint Willibrord werd de aartsbisschoppelijke zetel in Utrecht gevestigd. Pas in 1956 werden de bisdommen Groningen en Rotterdam opgericht.

Voorgeschiedenis

Na zijn aantreden als staatshoofd, voerde Filips II in 1559 een herindeling van de bisdommen in de Nederlanden door. De noordelijke gewesten vielen onder de Utrechtse kerkprovincie, de zuidelijke onder de Mechelse. Utrecht werd een aartsbisdom, met daarvan afhankelijk de bisdommen Haarlem (midden- en Noord-Holland), Middelburg (Zeeland), Deventer (Gelderland en Overijssel), Groningen (Groningen) en Leeuwarden (Friesland). 's-Hertogenbosch en Roermond werden bisschopszetels onder het aartsbisdom van Mechelen. De opstand tegen Spanje had grote gevolgen voor het katholicisme, waaraan zware beperkingen werden opgelegd. De eerste nieuwe aartsbisschop van Utrecht, Frederik Schenck van Toutenburg, was meteen ook de laatste. In 1592 verklaarde Rome de Utrechtse kerkprovincie tot missiegebied, de zogenaamde Hollandse Zending, die onder leiding kwam te staan van een apostolisch vicaris. Ook ‘s Hertogenbosch werd later een apostolisch vicariaat toen er na de vrede van Münster in 1648 geen normaal bisschoppelijk bestuur meer mogelijk was.

Aanloop naar het herstel

De officiële positie van de katholieke kerk in Nederland verbeterde toen de Bataafse Republiek in 1796 de scheiding van kerk en staat afkondigde. De verschillende kerken kwamen opnieuw op gelijke voet. Een deel van de katholieke kerkgebouwen die in de 16e eeuw in handen waren gekomen van de protestanten, werd teruggegeven. De katholieke gemeenschap begon zich opnieuw te organiseren, kranten, tijdschriften en scholen werden opgericht. Wel bleef de controle van de staat belangrijk : geestelijken mochten in het openbaar geen ambtskleding dragen en ook het luiden van klokken was bv. verboden. Met het Concordaat van 15 juli 1801 losten Napoleon Bonaparte en paus Pius VII een aantal hangende problemen tussen kerk en staat op. Er werden een aantal nieuwe apostolische vicariaten opgericht, waarmee men een toekomstig herstel van de bisdommen zal kunnen voorbereiden. Het bisdom Antwerpen werd afgeschaft en Noord-Brabant dat daar deel van uitmaakte werd nu het apostolisch vicariaat Breda. Ook het bisdom Roermond werd afgeschaft en verdeeld over de bisdommen Luik en Aken. De laatste bisschop van Roermond mgr. J.B. van Velde de Melroy (Joannes Baron van Velde tot Melroy en Sart-Bomal, bisschop van 1794 tot 1801) werd in 1801 benoemd tot apostolisch vicaris van het nieuwe vicariaat Grave–Nijmegen. Ook Ravenstein-Megen behoorde niet langer tot het bisdom Luik, maar werd een apostolisch vicariaat. In het koninkrijk Holland werd het departement voor de Rooms katholieke Eredienst opgericht. De koning kreeg bepaalde rechten om in te grijpen in de organisatie van de kerken. In 1812 - Nederland maakte dan deel uit van Frankrijk - werden de zogenaamde “uitstervingsbesluiten” van kracht. Dit betekende dat kloosters geen nieuwe leden mochten aannemen, waardoor men op termijn het verdwijnen van de kloosterordes op het oog had.

De eerste bisschoppen

Over het herstel van de bisdommen in Nederland bereikte het Verenigd Koninkrijk in 1827 een overeenkomst met paus Leo XII. Dit concordaat voorzag in twee bisdommen voor Noord-Nederland, maar o.m. door de Belgische Revolutie kon dit niet uitgevoerd worden. Koning Willem I bekrachtigde trouwens de beperkingen die aan de kloosters waren opgelegd, en ook de protestantse politici stonden niet onverdeeld positief tegenover een herstelde katholiek hiërarchie. Wel werd in 1833 een wijbisschop benoemd voor de Hollandse Zending. Bisschop Cornelius baron van Wykerslooth had weliswaar geen bisdom, maar had verder alle bevoegdheden van een bisschop, zoals het toedienen van het vormsel, het wijden van priesters en kerken. Nadat in 1839 de grens tussen België en Nederland was vastgelegd, werd Nederlands Limburg een eigen apostolisch vicariaat, geleid door Joannes Paredis. Deze werd in 1841 (titulair) bisschop gewijd. Voor een echt herstel van de bisdommen in Nederland leek het nog te vroeg, en de onderhandelingen over de uitvoering van het concordaat van 1827 lagen volledig stil. Toch werden bij wijze van compromis de zuidelijke vicarissen Joannes Van Hooydonk in Breda en Henricus den Dubbelden in ’s Hertogenbosch in 1842 eveneens tot (titulair) bisschop gewijd. In hetzelfde jaar werd ook Joannes Zwijsen tot bisschop benoemd, die het bestuur kreeg over de vicariaten Grave–Nijmegen en Ravenstein-Megen. Deze laatste benoeming gebeurde naar het schijnt na rechtstreekse persoonlijke tussenkomst van koning Willem II. Deze koning was de katholieken gunstiger gezind en maakte onder meer een einde aan de beperkende wetgeving voor de kloosters. In 1847 lieten ook een aantal vooraanstaande katholieken zich horen en drongen aan op een normalisering van het kerkelijk bestuur in Nederland. Hun rekest werd gesteund door bisschop Van Wykerslooth en de Luikse bisschop Cornelis Van Bommel. Met de nieuwe grondwet van 1848 waren de laatste beperkingen voor de katholieken weggenomen. De beslissing viel uiteindelijk op een vergadering van de Congregatio de Propaganda Fide in december 1852. Paus Pius IX keurde het plan goed en in 1853 werd het uitgevoerd.

Aprilbeweging

De Aprilbeweging van 1853 was het protestantse en conservatieve protest tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland door paus Pius IX. De bisschoppelijke hiërarchie is de indeling van de rooms-katholieke kerkprovincie Nederland in vijf bisdommen, met aan het hoofd een bisschop. De beweging richtte zich tevens tegen het kabinet-Thorbecke, dat de rooms-katholieke Kerk geen strobreed in de weg legde, op grond van de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van godsdienst. Het protest was een uiting van anti-roomse gevoelens van orthodox-protestanten die meenden dat Nederland een calvinistisch land moest blijven. Een weinig tactvolle encycliek van Pius IX, waarin het protestantisme een "pest" werd genoemd, had de gemoederen van protestants Nederland extra opgezweept. De orthodoxe protestanten deden daarbij een beroep op de Koning om zich tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie te verzetten. Bernard ter Haar, voorzitter der Algemene Protestanten Commissie, bood het protestadres aan aan Koning Willem III. De Koning stond sympathiek tegenover de Aprilbeweging en weigerde het adres met een aan hem door de regering gedicteerde afwijzende reactie te beantwoorden. Toen hij evenmin bereid was hierop terug te komen, trad het kabinet-Thorbecke af. De protestantse protesten hadden weinig invloed op het groene licht dat aan de katholieken was gegeven: het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie ging gewoon door.