Bokkenrijders

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

De Bokkenrijders (oude spelling: Bokkerijders) zijn een legendarische roversbende die in de 18de eeuw inbraken pleegde in Nederlands Zuid-Limburg en het aangrenzende Belgisch-Limburgse en Duitse grensgebied.

Er zijn historische analyses en romans over geschreven, maar ook films, toneelstukken, liedjes en stripboeken over gemaakt.

De hamvragen over de Bokkenrijders zijn:

  • Hebben zij wel bestaan of was er sprake van een massahysterie zoals bij de heksenvervolging?
  • Waren zij ordinaire misdadigers of revolutionairen?
  • Waren de meeste veroordeelden schuldig of zijn vooral onschuldigen geëxecuteerd na onder marteling afgedwongen bekentenissen?

Inhoud

De overlevering

Er zijn mensen die de Bokkenrijders vooral als een soort Robin Hood-achtige bende beschouwen, die stalen van de rijken en opkwamen voor de armen, of als voorlopers van de Franse revolutie. Volgens anderen waren de Bokkenrijders echter een brute roversbende, die tussen circa 1730 en 1780 de Landen van Overmaas, Belgisch-Limburg en de Kempen, en het Duitse grensgebied onveilig maakten. De leden zouden een verbond met de duivel hebben gesloten en zich op bokken door de lucht verplaatsen. Ze werden beschuldigd van dit laatste omdat er op eenzelfde nacht vaak meerdere overvallen gebeurden in ver uiteenliggende steden en dorpen; men dacht dat iemand die zich zo snel van de een naar de andere plaats verplaatste bovennatuurlijke krachten moest gebruikt hebben.

Hun strategie was om des nachts met een grote groep een afgelegen boerenhoeve of pastorie te bestormen, de bewoners te martelen om te weten te komen waar het geld verstopt is, en weer te vertrekken, de slachtoffers vaak dood of zwaar gewond achterlatend. In het Belgische gebied was tevens het leggen van brandbrieven een veelgebruikte strategie, waarbij gedreigd werd met brandstichting indien niet een bepaald bedrag betaald zou worden.

De eerste Bokkerijdersbende zou van circa 1730 tot 1743 geopereerd hebben, de tweede rond 1750 en de derde rond 1770 tot 1775. De eerste bokkenrijdersbende zou ontstaan zijn in Wolfhagen, een buurtschap bij Schinnen. De bendeleider was Geerling Daniels. Een andere beruchte bokkenrijder uit die tijd was de Fransman Jacques du Jardin, een ex-soldaat die zijn geld verdiende als speelman (hij speelde viool). Zijn bijnaam was de keukelaer. Hij werd opgehangen in 1751 op de Danikerberg, op de grens van Geleen en Schinnen. De laatste bende, die geleid zou zijn door de Kerkraadse chirurgijn Joseph Kirchhoffs ("Den Zwarten Kapitein"), spreekt het meest tot de verbeelding. Dit zou de grootste bende zijn geweest, en zich hebben gekenmerkt door een strakke, bijna militaire organisatie. Met name aan deze bende en hun leider worden revolutionaire ambities toegedicht.

Dat de bokkenrijders een eed aan de duivel zouden hebben afgelegd, wordt bijvoorbeeld door de volgende verklaring van een verdachte aangegeven: "... dat hij de eed heeft gedaan in het boske achter Wolfhagen, toen aldaer een keertse in een dode hand staande werd aangestoken en op een neusdoek op de grond gezet, en daar naast een dooske waarin een grote en een kleine geconsacreerde hostie, dat hij gedetineerde moest beloven van geen kameraden te beklappen waar het ook zo dat zij zouden gevangen worden en door de tortuur daartoe gedwongen, ten dien einde God afzwerende en de Duivel toe, toen opstekende de twee voorste vingeren en de duim van de rechterhand en zo zij zouden gevangen worden en door de tortuur moesten bekennen en ter dood werden gebracht dat zij alsdan alles zouden herroepen."

De kritiek

Kritici van de traditionele visie trekken vaak een vergelijking met de heksenprocessen uit de voorgaande eeuwen. Zij wijzen er vooral op dat de meeste veroordelingen van Bokkerijders hebben plaatsgevonden op basis van door marteling verkregen getuigenissen. Door verdachten te folteren werden bekentenissen afgedwongen en nieuwe verdachten gevonden en door deze weer te folteren ... enzovoort. Uiteindelijk werden vele honderden mensen veroordeeld voor enkele tientallen diefstallen.

In de Landen van Overmaas werden de processen gevoerd door schepenbanken die daarvoor niet geschoold waren i.p.v. door hogere rechtscolleges zoals elders gebeurde. Vanuit Brussel kwam dan ook kritiek op de procesgang en werd verontrusting geuit over de vele veroordelingen die daaruit volgden.

De schepenen hadden ook belang bij veroordelingen, omdat zij werden betaald uit de geconfiskeerde bezittingen van de veroordeelden.

Het aantal bendeleden dat van heinde en ver kwam opdagen voor een overval, lijkt onwaarschijnlijk groot, evenals de afstanden die zij daartoe zouden hebben moeten afleggen. Van de buit zou weinig overblijven als die door zovelen zou moeten worden gedeeld.

Literatuur

  • S.I.P. Sleinada, Oorzaeke, bewys en ondekkinge van een goddelooze, bezwoorne bende nagtdieven en knevelaers binnen de landen van overmaeze en aenpalende landstreeken. (1779) Hierin werd de term Bokkenrijders voor het eerst vermeld. 'S.I.P. Sleinada' was een anagram voor 'A. Daniels, Pastoor In Scheid' (Schaesberg).
  • Dr. Wilhelm Gierlichs, De geschiedenis der bokkerijders in het voormalige land van 's Hertogenrode. (uitgave in eigen beheer, 1940)
  • G. Ramaekers, ing en Theo Pasing, De woeste avonturen van de Bokkerijders, (Uitgeverij Limburgs Dagblad, Heerlen, 1972)
  • Anton Blok, De bokkerijders, roversbenden en geheime genootschappen in de Landen van Overmaas (1730-1774). (Prometheus, Amsterdam, 1991)
  • Drs. L. Augustus, Vervolgingsbeleid en procesvoering tegen de Bokkerijders. Het ontstaan van een waandenkbeeld, in: Publications de la Société historique et archéologique dans le Limburg 127 (1991), pp. 69-153
  • Drs. L. Augustus, diverse artikelen over de Bokkenrijders in o.a. Uit Kerkrade's verleden en Het land van Herle (tijdschrift)

Externe links

Persoonlijke instellingen