Adel

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Bewerkt naar Wikipedia

De adel is een sociaal of juridisch afgebakende groep mensen die van oorsprong een bevoorrechte positie innam. De inhoud van het begrip varieert naar gelang de tijd en plaats. De vooraanstaande positie van de adel leidde tot een hoog gecultiveerde levensstijl en een sterk standsbewustzijn. Tegenwoordig onderscheidt de adel zich in de meeste landen alleen nog door het voeren van een bepaalde familienaam en/of adellijke titel.
Adeldom en adellijke titels kunnen persoonlijk of erfelijk zijn en kunnen onder meer ontleend zijn aan bepaalde hoge ambten, groot grondbezit of verlening door een soeverein vorst. De adel kan op vele manieren worden ingedeeld. Er is bijvoorbeeld oeradel, oude adel en nieuwe adel, briefadel, ambtsadel en landadel, Empireadel, hoge en lage adel.

Inhoud

Definities

BLOCH noemde het begrip adel in La société féodale een aristocratie die op grond van geboorte of adelsverheffing bepaalde voorrechten of privileges genoot. Problematisch bij deze definitie is het uitsluiten van de vroeg-middeleeuwse nobilitas, terwijl een deel van de privileges voortkwam uit de functie die bekleed werd. Volgens WERNER in Naissance de la noblesse was dan ook de uitoefening van publiek gezag het onderscheidende kenmerk van de adel, vergelijkbaar met de senatoriale adel uit het oude Rome.
Al in de Middeleeuwen werd de adel gezien als tweede stand in het driestandenschema van bidders, strijders en werkers. De opvatting dat deugden als rechtvaardigheid en leiderschap aangeboren zouden zijn, werd gebruikt om de erfelijkheid van de hiërarchische verhoudingen te legitimeren. Hoewel deze opvatting wijdverbreid was, werd deze niet door iedereen aanvaard. In de praktijk bleek de tweede stand ook minder gesloten dan dit ideaalbeeld.
Desondanks maakte VAN WINTER in Ridderschap een onderscheid tussen de gesloten stand, slechts bereikbaar door geboorte, en de open sociale klasse, bepaald door geld en aanzien. Dit bleek moeilijk te rijmen met de ontwikkeling van de ridderschap, dat volgens deze definitie afwisselend een klasse en stand was, dan wel een klasse met standkenmerken.
Tegenwoordig wordt het driestandenschema dan ook steeds minder gebruikt om de middeleeuwse en vroegmoderne maatschappij te beschrijven. Moderne begrippen als klasse en stand zijn daarbij niet voldoende om de maatschappelijke structuur te beschrijven. Voor de moderne Europese adel van na de Franse Revolutie waarbij bijzondere voorrechten ontbreken, is het ook weinig zinvol om te spreken van klasse of stand.

Geschiedenis van de Europese adel

Prefeodale adel

De Germaanse en Keltische stammen die Europa op de Romeinen veroverden, vormden elk hun eigen adel. In het rijk van Karel de Grote was de adel een kaste van grootgrondbezitters die zich van de horigen en de vrijen in de schaarse steden onderscheidde door positie en invloed. Zij hielden hun grondgebied als allodium, dus niet in leen. Deze adel had geen adelbrief en kon het adeldom verliezen door geen herenleven te leiden. De vorsten deden een beroep op de adel om hen in het bestuur en in oorlogen bij te staan. Men is de afstammelingen van de edelen uit deze tijd, omdat zij geen adelsdiploma kunnen laten zien en hun adeldom teruggaat tot voorhistorische tijden, de "oeradel" gaan noemen.

Opkomst vanuit feodale functies De feodale adel is ontstaan uit leenmannen en ministerialen. Toen de zware harnassen en kostbare stalen wapens hun intrede deden, ontwikkelde zich een feodaal stelsel waarin de edelen, in ruil voor wederzijdse steun een leengoed voor een hoger en machtiger edele beheerden. Deze edelen en vazallen waren op hun beurt steun verschuldigd aan nog hoger geplaatste adel. Zo ontstond een trap met steeds meer treden.
In eerste instantie waren er baronnen, graven, hertogen, prinsen en zo meer van streek tot streek verschillende titels. De laatsten waren ambtenaren van de keizers die hun positie erfelijk hadden weten te maken. De titel van hertog (legerleider), graaf, markgraaf of markies (bestuurder van een grensgebied) en vorst waren in de vroege middeleeuwen geen erfelijke, maar vooral bestuurlijke aanduidingen.
In de 12e eeuw werd de adel een werkelijk gesloten kaste. De edelen bewaakten hun aanzien en hun voorrechten. Zij lieten geen burgers toe op hun toernooien en monopoliseerden alle hogere functies in het leger en in het bestuur. Pogingen om ook de kerk in hun macht te brengen, mislukten omdat zij geen monopolie op kennis bezaten. Desondanks waren veel posities als abt, abdis of bisschop voor de jongere, niet-ervende zonen en de dochters van edelen gereserveerd. Er ontstonden ook kloosters die alleen door adellijke nonnen werden bewoond. Zo ontstond het begrip "stiftsadel" voor edellieden met 16 kwartieren oude adel.

Consolidatie van de oude adel

De adel ontwikkelde regels om vast te stellen of iemand tot hun kaste behoorde. Om hun veronderstelde superieure bloed zuiver te houden werd het huwen met niet-adellijke partners ontmoedigd. Zelfs wanneer de kinderen uit een dergelijk huwelijk tot de adel behoorden, hadden zij minder voorrechten dan hun verwanten met meer "kwartieren". In het adellijk zelfbeeld waren de edelen de dragers van superieure overerfde eigenschappen die anderen misten. De edelen hadden "blauw bloed" dat niet vermengd mocht worden. Zij ontwikkelden ook een eigen cultuur en taalgebruik waarin zij zich van anderen onderscheidden. Het woord "adel" werd een synoniem voor "voortreffelijk".
De huwelijkspolitiek van de adel was een efficiënt middel om het bloed "zuiver" te houden, ebenbürtigkeit was in sommige families verplicht. Het resultaat is een soort adellijk kweekprogramma van de zgn. "gens nés", bijvoorbeeld: Elisabeth, Markiezin Pallavicini, née d'Udekem d'Acoz. Sommige mensen doen beroep op hun kwartieren, dat wil zeggen dat zij beschikken over een bepaald aantal generaties voorouders van zuivere adel. Deze kwartieren zijn een bewijs van zuiver bloed en waren een vereiste voor het lidmaatschap voor tal van ridderordes. Prins Amedeo van België kan een stamboom voorleggen met kwartieren van enkel de allerhoogste bloed- en grootadel. In zijn kwartieren zitten verschillende koningen, keizers, prinsen en aartshertogen. Het recht om een wapen te voeren is nooit het voorrecht van de adel geweest.
In de late middeleeuwen werd de adel in economisch belang overvleugeld door de handeldrijvende burgers. De steeds uitdijende koninklijke bureaucratie kon wel worden geleid door de edelen, maar had gestudeerde burgerzonen nodig met kennis van het recht. Aan het einde van de middeleeuwen waren de hofhouding, het leger en het bestuur van het platteland nog het domein van de adel.

Creatie van nieuwe adel

De koningen hebben steeds een beroep gedaan op de ontwikkelde burgers om, onafhankelijk van de vaak onhandelbare en onafhankelijke edelen, hun landen te besturen. Zij speelden adel en burgers tegen elkaar uit. Als Fons honorum verleenden de koningen ook adeldom. Deze nieuwe adel werd en wordt de briefadel genoemd naar de adelsdiploma's die zij ontvingen. Met een zekere logica bedachten de burgers die een ambt vervulden waarvoor men een edelman moest zijn, dat zij "dus" edelen waren. Ook deze aanspraak op adeldom werd erkend en leverde een ambtsadel op die zich dan in het spraakgebruik onderscheidt van de oudere edele geslachten die men zwaardadel of bloedadel noemt.
Men kan de adel ook in hoge en lage adel indelen. Een aantal edelen had bijzondere voorrechten in het bestuur en honderden edelen bestuurden de graafschappen en prinsdommen van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie. Ook in Spanje werd een onderscheid gemaakt tussen de hoge adel, de "Grande van Spanje", en de overige edellieden.
In Frankrijk onderscheidde men naar het voorrecht van de edelen met 16 kwartieren (vier generaties edele voorouders), om aan het hof te verkeren een "hofadel". Deze edelen hadden toegang tot de koning, maar voor Lodewijk XIV waren al zijn onderdanen, met uitzondering van de hertogen, min of meer gelijk.
In Engeland ontstonden de adellijke groep van de "Peers" of "Lords of Parliament" met een zetel in het Hogerhuis. In principe zijn hun echtgenoten en kinderen geen edelen. In het maatschappelijk verkeer delen zij in het aanzien van hun families en zijn zij de adel. Heerlijkheden (met titels "heer van...", "vrijheer van...") zijn niet adellijk, ook al werden ze in het verleden door edelen gedragen. Zie: heerlijkheid. Het Britse Lord of the Manor (heer van de heerlijkheid) bevindt zich in het zogenaamde grijze gebied, waarvan men niet zeker weet of men het wel of niet tot de adel moet rekenen. Het Duitse en Oostenrijkse "herr auf..." behoort niet tot de adel, maar verwijst eveneens naar een heerlijkheid.
Wanneer men voor de Franse Revolutie een heerlijkheid bezat of kocht, verwierf men ook de bijbehorende titel. Dit noemt men wel "grondadel".

Na de Franse Revolutie

De standenmaatschappij waarin de geestelijkheid de eerste stand, de adel de tweede stand en de burgerij de derde stand was, heeft tot aan de Franse Revolutie bestaan, maar pogingen om deze standenindeling daarna te restaureren mislukten.
Om de tientallen families die in het Heilige Roomse Rijk een eigen staatje hadden bestuurd, schadeloos te stellen, en het reservoir van huwbare partners voor de kinderen uit regerende families groot genoeg te houden, werden de oude rijksgrafelijke families op het Congres van Wenen en in de jaren daarna "ebenbürtig" verklaard. Zij werden "standesherren" met bepaalde voorrechten, maar gezag oefenden deze hoge edelen niet meer uit.
De hoogste Europese adel, de na 1815 regerende families, de ebenbürtige families en de hertogelijke families zijn in de Almanach de Gotha opgenomen en zij vormen ook nu nog een hecht netwerk. De eis dat de telgen van deze families alleen binnen de eigen kring huwen, wordt steeds minder nageleefd. De adel gaat nu familieverbanden aan met de groten uit de industrie en de handel. Lieden die men spottend wel de "geldadel" noemt.
Omdat in Oostenrijk en Duitsland geen adel meer bestaat, zijn de huwelijksregels die ooit in familiewetten werden vastgelegd, niet meer verbindend. Kadetten (jongere zoons en dochters) die een burger of iemand van lage adel willen huwen en hun naam (de titel is nu volgens Duits burgerlijk recht de naam) en het predicaat "Koninklijke Hoogheid" willen behouden, vinden de Duitse rechter aan hun kant. De oude regels kunnen er niet meer worden afgedwongen.
Alleen in de oude Europese Ridderlijke Orden worden de adellijke kwartieren nog streng geteld. Maar ook daar verloopt het tij. De Nederlandse Duitse Orde in de Protestantse Balije van Utrecht laat alleen edelen met 16 kwartieren "oude" adel toe, maar zij heeft de Hoge Raad van Adel gevraagd om een advies over nieuwe statuten. Ook de Maltezer Orde kent steeds meer burgers in haar rangen.

Adel in Nederland

In Nederland bestaat naast de ongetitelde adel, die het predicaat jonkheer mag voeren, de getitelde adel. Deze kunnen, van laag naar hoog, de volgende titels voeren: ridder, baron, burggraaf, graaf, markies, hertog, prins. Er vindt geen verheffing in de adelstand meer plaats.

Adel in België

In België bestaan naast de ongetitelde adel (jonkheer, of écuyer, in het Frans) de volgende titels: ridder, baron, burggraaf, graaf, markies, hertog, aartshertog en prins. Het staatshoofd draagt de titel van koning. In België verblijven heel wat geslachten die van oorsprong niet Belgisch zijn. De adel in België bloeit nog steeds, en de uitvoerende macht (koning en regering) verleent jaarlijks adeldom.

Adellijke titels

Adellijk geslachten

Zie Adellijk geslacht

Persoonlijke instellingen