Kroniek
Op weg naar een Canon van Zuid-Holland.
• Trijntje uit de prehistorie (5500 v. Chr.)
In 1997 werd bij Hardinxveld-Giessendam het skelet van een vrouw uit de prehistorie gevonden. Ze zou rond 5500 v. Chr. hebben geleefd. Het is het oudste skelet dat tot nu toe in de Nederlandse bodem is aangetroffen. Omdat de opgravingen werden uitgevoerd in voorbereiding op de aanleg van de Betuwelijn, kreeg de vrouw de toepasselijke naam Trijntje toebedeeld. Trijntje behoorde tot een klein groepje jagers en vissers. Deze mensen bivakkeerden in kleine hutjes op ‘donken’ - zandtoppen in een verder moerassige omgeving die stammen uit de laatste ijstijd, zo’n 10.000 jaar geleden. De donken, waarvan er in de Alblasserwaard nog diverse te zien zijn, werden alleen in de winter bewoond. In de zomer vertrokken deze vroege bewoners met hun kano’s naar hoger gelegen gronden in Brabant. Trijntje is nu te zien in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.
• Vlaardingencultuur (3500-2500 v Chr.) Vanaf omstreeks 3000 v.Chr. schakelden de jagers en vissers geleidelijk aan over op landbouw en veeteelt. Zij bouwden kleine vaste nederzettingen op zandige hoge plaatsen, waar men weinig last had van overstromingen. Archeologen vonden in 1958 in Vlaardingen primitieve gebruiksvoorwerpen die duidden op een afzonderlijke cultuur. Sindsdien wordt van de Vlaardingencultuur gesproken; deze zou hebben bestaan tussen ca. 3500 - 2500 v. Chr. Ook elders in Zuid-Holland, bijvoorbeeld in Spijkenisse en Bergschenhoek zijn restanten van deze cultuur gevonden.
• Romeinen in Zuid-Holland (50 v.Chr. – 300) De Limes Tijdens het bewind van de Romeinse keizer Augustus werd deze regio onderdeel van de provincie Germania Inferior. Aanvankelijk trokken de Romeinse troepen ook verder noordwaarts, maar in 47 n. Chr. kwam de rijksgrens (limes) definitief langs de Oude Rijn te liggen. De limes, die ook een handelszone was, liep dwars door Zuid-Holland. Aan de limes lagen diverse castella (forten), onder meer bij Katwijk (Lugdunum), Valkenburg (Praetorium Agrippinae), Roomburg bij Leiden (Matilo), Alphen aan den Rijn (Albanianae) en Zwammerdam (Nigrum Pullum). Bij opgravingen in de Leidse wijk Roomburg werd in 1996 een bijzonder bronzen viziermasker gevonden, dat vermoedelijk bij militaire parades werd gebruikt. Vanwege de weelderige bos krullend haar waarmee het masker is uitgebeeld, werd het, naar de zanger Gordon, het 'Masker van Gordon' genoemd. Het masker is te zien in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Forum Hadriani en de Gracht van Corbulo In Zuid-Holland verrees slechts één Romeinse stad: Forum Hadriani, op de plaats van het huidige Voorburg. Deze ommuurde stad, met vermoedelijk niet meer dan 3000 inwoners, vertoonde alle typisch Romeinse kenmerken: een plattegrond in de vorm van een schaakbord, met een forum (stadsplein) in het midden en daaromheen tempels, een rechtbank, een badhuis, enz. Naast de castella vond de Romeinse bouwlust nog uiting in andere werken. Zo liet generaal Corbulo een kanaal (‘de Gracht van Corbulo’) graven en legden de Romeinen verscheidene militaire wegen aan. Daarnaast werden in deze periode ook villae (herenboerderijen) gebouwd, onder meer in Rijswijk.
• Sporen van Willibrord: de komst van het Christendom (690) In 690 stak de Angelsaksische monnik Willibrord met een aantal metgezellen de Noordzee over om het Christelijke geloof te gaan verkondigen. Waarschijnlijk zetten zij voet aan wal in het gebied waar nu de Rijn bij Katwijk in zee uitmondt. Niet ver daar vandaan staat het Groene Kerkje van Oegstgeest, die eigenlijk de Willibrordskerk heet. Deze kerk is pas later gebouwd, maar feit is dat op deze plek al in de negende eeuw een kerkje stond, dat – volgens de legende – gesticht zou zijn door Willibrord. Willibrord kreeg toestemming van de Frankische machthebber Pepijn II om onder meer in dit gebied zijn missiewerk uit te voeren. Hij trok ook door het huidige Zeeland, Brabant en Limburg en werd de eerste bisschop van Utrecht. Het is niet zeker of hij het kerkje in Oegstgeest zelf heeft gesticht, maar in een akte uit 1038 van het door hem gestichte klooster van Echternach (in Luxemburg) worden onder meer de kerken van Vlaardingen en Kerkwerve (Oegstgeest) genoemd als ‘moederkerken’.
• De verdwenen stad Witla (9e eeuw) Witla zou een handelsstad zijn geweest aan de monding van de Maas, vermoedelijk gelegen nabij het huidige Geervliet. Problematisch is dat er nooit sporen zijn gevonden. Witla werd in 834, net als Dorestad (nabij Wijk bij Duurstede), verwoest door de Vikingen. De stad werd opnieuw opgebouwd, maar in 836 kwamen de Vikingen terug. Opnieuw werd Witla geplunderd en in brand gestoken. Vermoedelijk is Witla definitief van de kaart verdwenen door een stormvloed in 838.
• De Burcht van Leiden: het eerste kasteel (ca. 950) In de late middeleeuwen stonden in het huidige Zuid-Holland tientallen kastelen. De eerste dateren uit de 11e en 12e eeuw, maar de meeste werden gebouwd tussen de 13e en de 15e eeuw. Eerst hadden ze een verdedigingsfunctie, later werden het vooral statussymbolen. De eerste kastelen waren aarden heuvels (mottes) met een gracht eromheen en met een houten of stenen toren erop. Bij een aanval trokken de bewoners zich terug in de toren en haalden de brug op. De Leidse Burcht, tegenwoordig middenin Leiden gelegen, is zo’n mottekasteel. Na 1200 werden kastelen groter en van baksteen, met metersdikke muren voor een optimale verdediging. In de 14e en 15e eeuw verloren de kastelen hun verdedigingsfunctie, door de introductie van buskruit. Ook veranderde de positie van de adel. Zijn militaire functie werd minder belangrijk en bestuurlijk nam zijn invloed af door onderlinge conflicten en, vanaf de 13e eeuw, door de groeiende macht van de Hollandse steden. Aan het ‘kastelentijdperk’ kwam een einde toen Holland en de andere provincies in 1568 in opstand kwamen tegen de Spaanse koning, die hier in 1516 de macht had geërfd. Uit angst dat de Spanjaarden kastelen als uitvalsbases zouden gebruiken, werden de meeste gesloopt.
• Het Hollandse gravenhuis (ca. 900-1300) De machtigste middeleeuwse edelen waren hier de graven van Holland. Formeel waren ze ‘leenheren’ van de Duitse keizer, maar geleidelijk ontwikkelden zij zich tot zelfstandige heersers. De eerste Graaf van Holland was Dirk I (896-923/939?), die heerste over een gebied van Rijnland tot Egmond, waar hij een klooster stichtte. In 1018 versloeg Dirk III het leger van de Duitse keizer tijdens de Slag bij Vlaardingen. De slag kan beschouwd worden als het begin van het zelfstandige Graafschap Holland. In 1248 gaf Graaf Willem II opdracht tot het bouwen van de Ridderzaal in Den Haag. Dit betekende het begin van Den Haag als Residentie en Hofstad. Zijn zoon Floris V vergrootte het graafschap aanzienlijk en bouwde de omgeving van de Ridderzaal uit tot het Binnenhof, dat door zijn toedoen een belangrijks machtscentrum werd. De dood van Floris betekende het einde van het Hollandse gravenhuis; door erfopvolging kwam het Graafschap Holland in 1299 in handen van het Henegouwse Huis.
• Priester Hendrik: de Grote Ontginning (ca. 1100) Priester Hendrik gold rond 1100 als een pionier en deskundige op het gebied van de landontginning en was een belangrijke figuur bij ‘De Grote Ontginning’ die tussen 1000 en 1300 plaatsvond in het Hollands/Utrechtse veengebied en die wordt gekenmerkt door langgerekte percelen die tot op heden zo kenmerkend voor dit deel van het land zijn. In 1113 ging Priester Hendrik op verzoek van de aartsbisschop van Bremen en Hamburg naar Noordoost Duitsland waar hij met een groep ‘Hollanders’ grote stukken veenwildernis ontgon. Het was de eerste Hollandse landontginning in het buitenland. Beelden van Priester Jacob in zowel het Duitse Steinkirchen als in het Zuid-Hollandse Rijnsaterwoude herinneren aan deze vroege ‘kennisexport’.
• Zuid-Hollandse kloosters: de Abdij van Rijnsburg (1133) Anders dan in andere delen van Europa verschenen in Zuid-Holland pas laat kloosters. Het eerste was het nonnenklooster van Rijnsburg in 1133, dat werd gesticht door gravin Petronella van Holland, weduwe van Floris II. Op het platteland zou het aantal kloosters klein blijven, maar in de steden werd het aantal geleidelijk aan groter. Zo was er in Dordrecht bijvoorbeeld een franciscaner klooster. Naast deze reguliere kloosterorden (waarvan de leden echte monniken of nonnen waren), ontstonden er in de vijftiende eeuw ook steeds meer lekenorden, zoals de erg populaire begijnen. Begijnhoven waren in bijna elke Zuid-Hollandse stad te vinden. Sommige kloosters werden in de loop van de tijd zo machtig dat de Hertog van Bourgondië, Filips de Goede (die ook Graaf van Holland was), het in 1462 verbood om zonder zijn toestemming nieuwe kloosters te bouwen.
• Hollandse steden: Dordrecht krijgt stadsrechten (1220) In 1220 kreeg Dordrecht als eerste stad in Holland stadsrechten van Graaf Willem I. Vele steden zouden daarna volgen en de ‘stedendichtheid’ zou in dit gebied groot worden. Steden werden in de volgende eeuwen de belangrijkste dragers van Hollandse welvaart. Dordrecht bleef tot in de eerste helft van de 15e eeuw, toen het door de Elizabethsvloeden zwaar werd getroffen, de belangrijkste stad van het land.
• Van polderbestuur naar hoogheemraadschap (13e – 14e eeuw) In de 13e en 14e eeuw werden ‘hoogheemraadschappen’ opgericht, die verantwoordelijk werden voor het waterbeheersing. Voor die tijd werd dit plaatselijk door polderbesturen en heemraden uitgevoerd, maar de problemen waren zo groot dat ze alleen in groter verband aangepakt konden worden. Het Hoogheemraadschap Schieland (nu Schieland en de Krimpenerwaard) dateert van 1273, het Hoogheemraadschap Delfland van 1289 en in 1324 werd voor het eerst over ‘de hoogheemraden van Rijnland’ gesproken. In de loop van de 14e eeuw ging het hoofd van dit hoogheemraadschap ‘dijkgraaf’ heten.
• De Sint Elizabethsvloeden (1421 en 1424) In 1421 en 1424 werden bij stormrampen tientallen dorpen en buurtschappen in het zuiden van Zuid-Holland door het water verzwolgen; daarbij vielen duizenden doden. De overstromingen leidden tot het ontstaan van de Biesbosch en tot het einde van Dordrecht als belangrijkste Hollandse stad. Dit laatste kwam omdat er rondom de stad zoveel nieuwe vaarwegen ontstonden dat Dordrecht haar ‘stapelrecht’ niet meer kon afdwingen. Bovendien werd de stad over land door het nieuwe water veel meer dan voorheen van het voor de handel belangrijke Zuiden afgesneden.
• Erasmus en Coornhert: Hollandse verdraagzaamheid (ca. 16e eeuw) Erasmus (1466–1536) werd vermoedelijk in Rotterdam geboren als Gerrit Gerritszoon en bracht zijn jeugd door in Gouda. In 1488 trad hij toe tot het klooster Steyn, bij Haastrecht. In 1495 vertrok hij naar Parijs om daar theologie te studeren. Dit was het begin van een glanzende internationale carrière. Hij publiceerde in het Latijn en in 1506 veranderde hij zijn naam in Desiderius Erasmus. Zijn relativerende kijk op de mensheid bleek uit zijn invloedrijke satire ‘Lof der zotheid’ (gepubliceerd in het Latijn 1511; vertaald in 1560), waarin hij de geestelijkheid, maar ook kooplieden en wetenschappers met milde spot bekritiseerde. Erasmus geldt als een van de grondleggers van het tolerante humanisme waaraan Hollandse regenten en intellectuelen zich graag spiegelden. Als zodanig leverde hij een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van Holland (en later Nederland) als een tolerant en vrijheidslievend land. Een andere bekende humanist was Dirck Volkertsz Coornhert (1522-1590). In tegenstelling tot Erasmus publiceerde deze geboren Amsterdammer in het Nederlands en niet in het Latijn, over onder meer theologie en staatsinrichting. Hij pleitte voor verdraagzaamheid en godsdienstvrijheid maar werd vanwege zijn opvattingen eerst door katholieke en later door het optreden van calvinistische critici verbannen. Uiteindelijk kwam hij in 1588 in Gouda terecht, dat in die tijd als eest tolerante stad van de Republiek gold.
• Jan de Bakker: oprukkend protestantisme (16e eeuw) Aan het begin van de 16e eeuw vonden veel Europeanen dat de katholieke kerk van het rechte pad was afgedwaald. Uit protest spijkerde Maarten Luther in 1517 zijn 95 stellingen op de kapeldeur van het Duitse stadje Wittenberg. Daarna verspreidde het protestantisme zich als een olievlek over (vooral) Noordwest Europa. Dit leidde ook hier tot groeiende maatschappelijke spanningen die ondermeer tot uiting kwamen in de Beeldenstorm die in 1566 over de Nederlanden raasde en die gezien kan worden als een belangrijke directe aanleiding tot de Opstand tegen de Rooms-katholieke landsheer Filips II. Het eerste slachtoffer in de strijd viel hier al veel eerder – zijn naam was Jan de Bakker. Deze Woerdense pastoor was in 1523 uit zijn functie gestapt, waarna hij in 1525 in Den Haag gevangen werd gezet, gewurgd en op de brandstapel gezet. Het vonnis werd voltrokken op het Haagse Prinsenhof in aanwezigheid van de landvoogdes, Margaretha van Oostenrijk.
• De Goudse Glazen (1555 -1603) Deze wereldberoemde gebrandschilderde ramen uit de Sint Janskerk in Gouda – hoogtepunten van de Hollandse Renaissance - werden gemaakt tussen 1555 en 1603. Ze verbeelden taferelen uit de Bijbelse en Hollandse geschiedenis. Aan het ontwerp en de uitvoering van de glazen hebben o.a. de beroemde glazeniers Dirck en Wouter Crabeth gewerkt. Dankzij verstandig optreden van het stadsbestuur zijn de ramen tijdens de Beeldenstorm van 1566 intact gebleven. De originele ontwerptekeningen van de glazen (de zgn. cartons) zijn ook bewaard gebleven.
• De eerste vrije Statenvergadering: geboorte van de Republiek (1572) tijdens de Opstand tegen de Spaanse overheersers vond in 1572 in Dordrecht, in de refter van het Augustijnenklooster, nu de Statenzaal in het Hof, een geheime bijeenkomst plaats van afgevaardigden van twaalf Hollandse steden, de adel en de watergeuzen. Ook aanwezig is Marnix van St. Aldegonde, afgezant van Willem van Oranje. Tijdens deze eerste ‘vrije Statenvergadering wordt de vrijheid van godsdienst vastgelegd en Willem van Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland erkend. Met de Unie van Utrecht (1579), waarin de grondslag voor de Republiek werd gelegd, geldt de eerste Statenvergadering als het begin van de zelfstandige Nederlandse staat.
• De Opstand (1568-1589) Hoewel de Opstand tegen de Spaanse koning Filips II een zaak van de hele latere Republiek was, speelde de kern ervan zich in het gebied van het huidige Zuid-Holland af. Belangrijke actoren en momenten zijn: De bevrijding van Den Briel door de Watergeuzen (1572) De Watergeuzen waren een tamelijk ongeregelde groep opstandelingen. Op 1 april 1572 slaagden zij er onder bevel van hun aanvoerder Lumey in de havenstad Den Briel (Brielle) in te nemen. Het werd een keerpunt in de strijd tegen de Spanjaarden. Tegelijkertijd zorgden de watergeuzen met hun plundertochten voor veel onrust in Holland. Martelaren van Gorcum (1572) Bij de verovering van Gorinchem in 1572 namen de geuzen negentien katholieken gevangen. Deze werden kort daarna in Brielle vermoord. De slachtoffers werden bekend als de Martelaren van Gorinchem. In 1675 werden ze door de paus zalig verklaard en in 1867 werden ze opgenomen in het Romeinse martyrologium (de lijst van heilige martelaren). Leidens ontzet (1574) Op 3 oktober 1574 werd het door de Spanjaarden belegerde en uitgehongerde Leiden door de watergeuzen bevrijd. In de vroege ochtend van 1574 voeren de geuzen over de Vliet de stad binnen met aan boord haring en wittebrood. Leidens Ontzet wordt tot op de dag van vandaag gevierd. De moord op Willem van Oranje (1584) Willem van Oranje werd op 10 juli 1584 in de Prinsenhof in Delft, het voormalige Sint-Agathaklooster, vermoord door Balthasar Gerards. De plek waar de moord plaatsvond maakt nu deel uit van Museum Het Prinsenhof. De kogelgaten van de aanslag zijn er nog in een muur te zien.
• De Leidse Universiteit, 1575 Uit dank voor het heldhaftige verzet van de stad tijdens het beleg, stichtte Willem van Oranje op 8 februari 1575 de Universiteit Leiden, die daarmee de oudste universiteit van het land werd. In 1581 betrok de universiteit een voormalig klooster aan het Rapenburg, dat nog steeds dienst doet als Academiegebouw. De universiteit leverde beroemde wetenschappers op zoals Hugo de Groot (1583-1645), een internationaal bekende staatsrechtgeleerde en Herman Boerhaave (1668-1738), hoogleraar geneeskunde. Nobelprijzen waren er voor Hendrik Lorentz (Natuurkunde, 1902) en Heike Kamerlingh Onnes (Natuurkunde, 1913). Ook J.H. van ’t Hoff, de allereerste winnaar van de Nobelprijs voor de Scheikunde in 1901, had zijn kandidaats in Leiden gehaald. Een standbeeld van deze Rotterdammer staat nog aan de ’s-Gravendijkwal in Rotterdam, op het plein voor de voormalige HBS waar hij één van de eerste leerlingen was.
• Ontdekkingsreizigers: Cornelis de Houtman en Olivier van Noort (ca. 1600) Olivier van Noort (1558-1627) was in 1598 de eerste Nederlander die een reis rond de wereld ondernam. De voormalige herbergier werd daartoe in staat gesteld door Rotterdamse kooplieden, die zijn expeditie financierden. Van Noort vertrok in juli 1598 met vier schepen en een bemanning van 248 koppen, maar keerde in augustus 1601 terug met één schip en 45 man. De problemen en ontberingen verhinderden niet dat Hollanders in de komende eeuw een vooraanstaande plaats in de overzeese wereldhandel in zouden gaan nemen. Van Noort eindigde zijn carrière als garnizoenscommandant in Schoonhoven, waar bij de haven een standbeeld aan hem herinnert. Cornelis de Houtman (1565-1599) werd geboren in Gouda en voer in 1595 met zijn broer Frederik voor de Amsterdamse ‘Compagnie van Verre’ als eerste Nederlander naar Indië. De handel met dit verre land was destijds al sinds een eeuw volledig in handen van de Portugezen. Door de oorlog met Spanje (die het in Portugal voor het zeggen hadden) waren de Hollanders gedwongen zelf handel met ‘de Oost’ te gaan drijven. De reis van Houtman was de opmaat naar de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), die in 1602 werd opgericht. Cornelis de Houtman zelf overleed op het Indische Atjeh, waar hij naar verluid werd opgegeten door de lokale bevolking. Zijn broer kon na twee jaar gevangenschap worden vrijgekocht. In Gouda is in het naar hen vernoemde Houtmansplantsoen nog een obelisk te zien, die daar in 1870 werd neergezet.
• De onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt (1619) wordt in 1619 in Den Haag op het Binnenhof onthoofd. Zijn executie illustreert spanningen binnen het protestantse geloof, maar ook tussen de Staten (waarin de stedelijke regenten veel macht hadden) en de Stadhouder. Van Oldenbarnevelt, die eerst (sinds 1576) Pensionaris van Rotterdam was geweest, werd in 1586 Raadspensionaris (hoogste ambtenaar) van de Staten van Holland. Gedurende twintig jaar werkte hij eendrachtig met de twintig jaar jongere stadhouder Maurits samen in de strijd tegen de Spanjaarden, maar in 1609 had Oldenbarnevelt tegen de zin van Maurits het Twaalfjarig Bestand gesloten. In meningsverschillen in protestantse kring tussen de Remonstranten (‘rekkelijken’) en Contraremonstranten (‘preciezen’) vertegenwoordigde hij de eersten, terwijl Maurits voor de preciezen opkwam. Toen de laatste in 1618 door een staatsgreep aan de macht kwam liet hij de zeer gerespecteerde Van Oldenbarnevelt arresteren en na een politiek proces in 1619 onthoofden.
• Zuid-Hollandse buitenplaatsen (17e - 18e eeuw) Regenten en rijke kooplieden gaven de toon aan in de steden. Zij breidden de steden uit met grachtengordels, en lieten daar fraaie panden bouwen. Als zomerverblijf lieten de allerrijksten een buitenplaats aanleggen op het platteland. Met name de oude strandwallen langs de kust tussen Den Haag en Haarlem waren een favoriete locatie, vanwege de mooie omgeving en de nabijheid van steden als Haarlem, Leiden en Den Haag. Plaatsen als Wassenaar, Oegstgeest, Voorschoten en Rijswijk telden vele tientallen ‘buitens’. Sommige buitenplaatsen waren internationaal bekend, zoals Huize Clingendael bij Wassenaar, of Hofwijck, dat door diplomaat en dichter Constantijn Huygens in Voorburg was aangelegd en dat hij zelf had ontworpen. Ook de Oranjes legden buitenplaatsen aan. In 1621 startte Stadhouder Frederik Hendrik in de buurt van Naaldwijk met de bouw van Huis Honselersdijk, Dit imposante complex (dat in 1815 grotendeels gesloopt werd) werd ook wel ‘klein Versailles’ genoemd en illustreerde de internationale oriëntatie en de ambities van de stadhouders van Oranje-Nassau. In het Haagse Bos liet hij het Huis ten Bosch bouwen.
• De Statenvertaling van de Bijbel (1635) De eerste Nederlandse vertaling van de volledige Bijbel uit het Hebreeuws en Grieks, waartoe in 1618 opdracht was gegeven tijdens de Synode van Dordrecht en waarvoor de Staten Generaal geld beschikbaar hadden gesteld, werd bekend als ‘de Statenvertaling’. De Statenbijbel zou grote invloed hebben op de ontwikkeling en standaardisering van de Nederlandse taal.
• De Lakenhal van Leiden (1640) De Leidse Lakenhal werd gebouwd door stadsarchitect Arent van ’s-Gravesande. In het gebouw werden de lakense stoffen die in de stad werden geproduceerd gekeurd. Het gebouw, dat sinds 1874 als stedelijk museum dienst doet, illustreert de bloeiende nijverheid van (Zuid-)Hollandse steden in de ‘Gouden’ 17e eeuw. De Leidse lakenindustrie was sinds het einde van de 16e eeuw tot bloei gekomen dankzij kennis die werd meegebracht door Zuidelijke Nederlanders die na de Val van Antwerpen in 1585 naar het Noorden waren gevlucht. De lakenindustrie floreerde tot omstreeks 1700; daarna stagneerde de vraag naar het Leidse product.
• De Trekvaart Haarlem-Leiden (1657) Deze vroege openbaarvervoersverbinding werd in een tijdsbestek van nog geen jaar aangelegd. De vaart werd onmiddellijk een uiterst belangrijke ader in het trekvaartennetwerk dat in deze tijd ontstond. De trekschuit was voor de komst van de trein rond het midden van de 19e eeuw het massavervoermiddel bij uitstek. In het topjaar 1677 werden tussen Haarlem en Leiden 148.000 passagiers vervoerd.
• Hollandse meesters: Vermeers Gezicht op Delft (ca. 1660) Het Gezicht op Delft werd ca. 1660 door de Delftse meester Johannes Vermeer geschilderd. Het thans in het Mauritshuis te bezichtigen werk symboliseert de bloeitijd van de (Zuid-)Hollandse schilderkunst in de Gouden Eeuw. Deze beroemdheid dankt zij aan het bijzondere karakter en de kwaliteit van de kunstwerken, maar ook aan de enorme hoeveelheden waarin deze werden geproduceerd. Andere bekende schilders waren Rembrandt van Rijn Jan Steen, Pieter de Hooch, Gerard Dou en Frans van Mieris.
• De moord op de gebroeders de Witt (1672) De moord op Johan en Cornelis de Witt symboliseert de tegenstelling tussen ‘prinsgezinden’ en ‘staatsgezinden’. Achter deze tegenstelling gingen conflicten schuil tussen enerzijds de Hollandse regentenstand, waarvan ‘de De Witten’ uitgesproken vertegenwoordigers waren, en anderzijds de stadhouders van Oranje-Nassau die streefden naar bevestiging van hun vorstelijke ambities.
• De eerste Hollandse Waterlinie (1672) In 1672 werd de Republiek van drie kanten aangevallen: door Engelsen, Duitsers en Fransen. Het land leek ‘reddeloos, radeloos en redeloos verloren’, maar door de Hollandse Waterlinie tussen Muiden en Brabant werd de Franse opmars gekeerd. Een jaar later werd begonnen met de aanleg van Fort Wierickerschans.
• 17e eeuwse wetenschappers: Anthonie van Leeuwenhoek en Christiaan Huygens Anthonie van Leeuwenhoek (Delft 1632-1723), zoon van een mandenmaker en zelf winkelier in linnen, garen en band, werd gefascineerd door wetenschap, de schei- en natuurkunde in het bijzonder. Door zijn ontwikkeling van een sterk verbeterde microscoop werd hij in 1680 als lid van de prestigieuze Engelse Royal Society aangenomen. Hij geldt als een internationaal erkend Hollands pionier op het terrein van de cel- en microbiologie. Christiaan Huygens (Den Haag 1629-1695), een zoon van de bekende politicus en dichter Constantijn Huygens, was één van de grootste geleerden die Holland ooit voortbracht. Christiaan hield zich intensief bezig met wiskunde, natuurkunde en muziek. Met zijn zelfgemaakte telescoop ontdekte hij onder meer dat Saturnus was omgeven door een ring. Verder was hij de uitvinder van het slingeruurwerk.
• Invloedrijke filosofen: Spinoza en Pierre Bayle (17e eeuw) Benedictus de Spinoza (1632-1677), de bekendste Nederlandse filosoof, groeide op in de Portugees-joodse gemeenschap in Amsterdam, maar kon zich niet verenigen met de strenge regels van het geloof. In 1656 werd hij verstoten en vertrok hij uit Amsterdam, om zich achtereenvolgens in Rijnsburg, Voorburg en Den Haag te vestigen. In 1670 publiceerde hij anoniem zijn Tractatus Theologico-Politicus, die veel ophef veroorzaakte vanwege de kritische kanttekeningen die hij plaatste bij de inhoud van de bijbel en zijn ideeën over vrijheid van meningsuiting, tolerantie en decocratie. Zijn bekendste werk is de Ethica, die pas na zijn dood werd gepubliceerd, uit angst voor represailles. Hierin stelt hij onder andere dat er geen sprake is van een bovennatuurlijke god die de wereld regeert, maar dat de wereld onderhevig is aan natuurwetten. Zijn ideeën zijn van grote invloed geweest op de ontwikkelingen in de Verlichting. Het huis waar hij in Rijnsburg woonde is nu een museum. In Den Haag staat een standbeeld van hem. Pierre Bayle (1647-1706), de ‘filosoof van Rotterdam’, werd geboren in Frankrijk maar vluchtte vanwege zijn protestantse geloof de Republiek. Hij werd in hoogleraar aan de Illustere School van Rotterdam, maar raakte in conflict met orthodoxe calvinisten vanwege zijn overtuiging dat de filosofie niet ondergeschikt was aan de theologie en godsdienst om geloof draaide en niet met rationele argumenten onderbouwd kon worden. Vanwege deze dubbelzinnige boodschap - die heel gemakkelijk als radicale kritiek op godsdienst opgevat kon worden - veroorzaakte hij een storm van kritiek. Hij werd in 1693 ontslagen. Ook zijn hoofdwerk, Dictionnaire historique et critique (1697), een soort Encyclopedie avant la lettre, veroorzaakte ophef. Hoewel hij het officieel altijd ontkende werd hij door tegenstanders beschuldigd van ‘spinozistische’ ideeën. Nog steeds is er geen consensus over zijn denken: was hij nu een calvinist of een vrijdenker?
• De Molens van Kinderdijk (ca. 1740) Molens werden al sinds het begin van de 15e eeuw gebruikt om polders leeg te malen. Het hoogtepunt van de ontwatering met behulp van molens lag in de 17e eeuw, maar het bekendste ‘molencomplex’ stamt uit de jaren 1738-1740 toen bij Kinderdijk negentien molens werden gebouwd om polderwater uit de Neder- en de Overwaard in de Lek te lozen. In 1997 werd het complex op de Wereld Erfgoedlijst van de UNESCO geplaatst.
• De uitleenbibliotheek van Hendrik Scheurleer (1750) In 1750 opende de Haagse boekhandelaar Hendrik Scheurleer de eerste Nederlandse ‘leesbibliotheek’. Zijn boeken waren niet alleen te koop, maar ook te leen. De bibliotheek van Scheurleer werpt licht op de door de Verlichting gestimuleerde ontwikkeling van het individu.
• Patriotten: het eerste exercitiegenootschap, ‘De Vrijheid’, Dordrecht (1783) Het patriottisme was een politieke stroming die werd geïnspireerd door moderne verlichtingsidealen die zouden moeten leiden tot ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. De Patriotten wilden de macht van stadhouder Willem V terugdringen. Aangemoedigd door de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog van 1775-1783, wilden zij een einde maken aan het regentenbewind en bestuurlijke macht voor burgers. In 1781 riep de Overijsselse patriot Joan Derk van der Capellen tot den Pol in het pamflet Aan het Volk van Nederland’ op tot burgerbewapening om de vrijheid te verdedigen. Dit had het gewenste effect: in 1783 werd in Dordrecht het eerste patriottistische exercitiegenootschap opgericht en al snel kwamen er ook elders in de Republiek zulke genootschappen tot stand.
• Goejanverwellesluis (1787) In 1787 werd Wilhelmina van Pruisen, vrouw van de eerder dat jaar naar het Oosten van het land uitgeweken stadhouder Willem V bij Goejanverwellesluis tegen gehouden door een Gouds Vrijkorps. De prinses vroeg hierop haar broer, de koning van Pruisen, om in te grijpen. Aldus geschiedde en Willem V keerde terug naar Den Haag. Vooraanstaande Patriotten ontvluchtten nu het land, vooral naar Frankrijk, waar twee jaar later, in 1789, de Franse revolutie een einde aan het koningschap maakte.
• Willem V verlaat het land bij Scheveningen: het einde van de Republiek (1795) Toen Franse troepen in 1795 de bevroren grote Nederlandse rivieren waren overgetrokken om de Patriotten bij hun ‘Bataafse Revolutie’ te steunen, ontvluchtte stadhouder Willem V het land bij Scheveningen. Deze gebeurtenis markeert het einde van de Republiek der Verenigde Nederlanden en de invoering van een nationale eenheidsstaat waarin de positie van de vroeger zo machtige provincies drastisch werd teruggebracht. De gewesten en de steden verloren hun autonomie en het huidige Zuid-Holland werd tussen 1798 en 1801 zelfs verdeeld over verschillende ‘departementen’. Delft, als hoofdstad van het departement Delf, was de enige ‘hoofdstad’ in Zuid-Holland. Onder de Bataafse Republiek werd een eerste volksvertegenwoordiging ingesteld, die net als de Staten-Generaal vergaderde in het Binnenhof te Den Haag.
• De Kruitschipramp van Leiden (1807) Op 12 januari 1807 ontplofte in het Rapenburg, een gracht in Leiden, een kruitschip. De klap was zo hevig dat een groot deel van de Leidse binnenstad werd verwoest. Er vielen 151 doden en meer dan 2000 gewonden; 220 huizen waren compleet verwoest. Koning Lodewijk Napoleon (1806-1810) was binnen 5 uur ter plaatse en stelde 30.000 gulden beschikbaar voor een door hem ingesteld Rampenfonds; een nationale collecte bracht 2 miljoen op. Door de inzet van de koning en het medeleven in het hele land kan de Ramp van Leiden als de eerst ‘Nationale Ramp’ worden beschouwd.
• Willem Frederik van Oranje landt bij Scheveningen (1813) Op 30 november 1813 landde de zoon van stadhouder Willem V op het strand in Scheveningen. Zijn terugkeer markeert het einde van de Bataafs-Franse tijd en het begin van het Koninkrijk der Nederlanden. Hoewel het staatsconcept van Nederland bleef wat het inmiddels was: een nationale eenheidsstaat, werden de provincies weer tot leven gewekt. De eerste vergadering van de Provinciale Staten van Holland vond plaats op 19 september 1814.
• De droogmaking van de Zuidplas (1839) In de negentiende eeuw kwamen in Zuid-Holland veertig droogmakerijen tot stand, allemaal verveningsplassen. Eén van de grootste projecten was de Zuidplaspolder. In 1839 werd de ten westen van Gouda (in het gebied van de huidige gemeenten Zevenhuizen-Moerkapelle, Moordrecht en Nieuwerkerk aan den IJssel - die per 2010 zullen worden samengevoegd), gelegen Zuidplas drooggemalen. Deze enorm grote en diepe plas was ontstaan doordat in voorgaande eeuwen het veen in lagen was afgestoken om er turf van te maken. In 1816 was koning Willem I bereid om de droogmaking te financieren. Als zodanig werd het de eerste ‘staatspolder’, en ook de eerste grote polder die in Zuid-Holland zou worden drooggemalen. Met de aanleg van ringdijken en 120 molens werd in de jaren 20 een begin gemaakt. Later zou ook van stoombemaling gebruik worden gemaakt. Eind 1839 was de Zuidplas droog en werd hij in gebruik genomen als landbouwgrond. Later kwamen er kassen, industrieterreinen en nieuwbouwwijken. Het in Nieuwerkerk gelegen laagste punt van de polder is tevens het laagste punt van Nederland. Het is 6.76 cm. onder NAP. De ervaringen met de Zuidplas kwamen goed van pas bij de droogmaking van de (vier keer zo grote en gedeeltelijk in het latere Zuid-Holland gelegen) Haarlemmermeer waartoe in 1837 werd besloten en die in 1852 droogviel.
• De splitsing van Holland (1840) In 1840 werd de provincie Holland door een grondwetswijziging gesplitst in Noord- en Zuid-Holland. Eigenlijk was er al vanaf 1814 sprake van twee provincies want er waren van meet af aan twee Commissarissen des Konings, één voor het noorden en één voor het zuiden. Het college van Provinciale Staten vergaderde afwisselend in Den Haag en in Haarlem. Als argument voor de splitsing gold dat de provincie Holland (volgens het Kamerverslag) ‘bij vergelijking met alle andere te groot was in uitgestrektheid, bevolking, rijkdom en opbrengst’.
• Technische Universiteit Delft (1842) In 1842 werd in Delft de eerste ingenieursopleiding van het land geopend: de ‘Koninklijke Akademie ter opleiding van burgerlijke ingenieurs zoo voor ’s lands dienst als voor de nijverheid en kweekelingen voor den handel’ – de huidige Technische Universiteit. Er studeren tegenwoordig meer dan 13.000 studenten.
• Gerrit Lalleman: Protest tegen kinderarbeid (1855) Gerrit Lalleman (1820-1901), geboren in Naaldwijk, werd in 1844 op 24 jarige leeftijd schoolhoofd in Moordrecht en zou dat 43 jaar blijven. Hij was een gedreven onderwijzer, maar constateerde dat in Moordrecht en omgeving veel kinderen werkzaam waren in de touwindustrie en in de steenbakkerijen en daardoor niet in staat onderwijs volgen. Omdat in het hele land kinderen werkzaam waren in een groot aantal sectoren, besloot hij zich in te voor een oplossing voor kinderarbeid. In 1855 publiceerde hij (als G.B.L. te M.) in De Economist een artikel genaamd 'Slavernij in Nederland', waarin hij beschreef hoe de kinderen uit de regio in de zomer van 05.00 uur tot 20.00 uur en in de winter van 06.00 tot 19.00 uur in ongezonde, vochtige loodsen werkten. Ook begon hij een avondschool, zodat kinderen toch onderwijs konden volgen en werd hij door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, waarvan hij bestuurslid was, tot rapporteur benoemd van een onderzoekscommissie naar het schoolverzuim als gevolg van kinderarbeid. Pas in 1874 zou het kinderwetje van S. van Houten een begin maken met een verbod van kinderarbeid in fabrieken en werkplaatsen. Lalleman schreef in het onderwijsblad De Wekker dat de wet net zo weinig leek op het ontwerp van Van Houten 'als een oude dame op een jeugdige schoone van 18 jaren'.
• De Haagse School (ca. 1860-1890) Vanaf ca. 1860 (tot ca. 1890) richtten jonge Haagse schilders (als de Franse impressionisten) zich op het landleven. Zij bezochten vissersdorpen als Katwijk en Scheveningen, wat leidde tot vele vissers- en strandtaferelen. Bekend is bijvoorbeeld Hendrik Willem Mesdag, die een panorama op de zee, de duinen en het dorp Scheveningen schilderde van gigantische afmetingen:120 meter lang en 14 meter hoog. Het Panorama Mesdag is nog steeds een veelbezochte attractie. Schilders als Willem Roelofs, J.H. Weissenbruch en de gebroeders Maris trokken naar dorpjes als Nieuwkoop en Noorden om de schoonheid van het gebied dat we nu het Groene Hart noemen vast te leggen.
• De Nieuwe Waterweg (1864-1872) Dit kanaal is het laatste stuk in de verbinding van Rotterdam met zee. Daarvoor moest ruim vier kilometer duin worden doorgegraven. De Nieuwe Waterweg leverde een uiterst belangrijke bijdrage aan de stormachtige groei van de haven van Rotterdam die in 1962 de grootste ter wereld werd.
• De Scheveningse vissershaven (1904) In 1904 kreeg Scheveningen een haven. Het was de eerste met een radioverbinding naar de schepen op zee (‘Scheveningen Radio’). Vanaf nu ontwikkelde Scheveningen zich tot wellicht de bekendste vissersplaats van het land. ‘Vlaggetjesdag Scheveningen’, de Scheveningse Haringrace’ en ‘Hollandse Nieuwe’ uit Scheveningen werden bekende begrippen.
• Vergissing van Troelstra (1918) Medio november 1918 riep Pieter Jelles Troelstra, de leider van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP), zowel in Rotterdam als in de Tweede Kamer op tot een niet-bloedige revolutie. Hij was ervan overtuigd dat de op diverse plekken in Europa oplaaiende socialistische revoluties ook in Nederland tot een machtswisseling zou leiden. Het bleek een foute beoordeling. Als steunbetuiging aan de regering en het koningshuis vond op het Haagse Malieveld op 18 november een massale bijeenkomst plaats. De parlementaire democratie was te sterk gebleken voor een socialistische revolutie en de gebeurtenis zou de geschiedenis ingaan als ‘de vergissing van Troelstra’. Het gevolg hiervan voor de SDAP was dat de partij tot 1939 buiten het kabinet werd gehouden.
• De haven van Pernis (1933) In 1933 kwam in het dorp Pernis (gemeente Rotterdam) de eerste petroleumhaven gereed. De oplevering markeert de opkomst van de petrochemische industrie en de komst van vele raffinaderijen (van o.m. de Koninklijke Shell) in dit gebied.
• De Kuip (1937) In 1937 kwam In Rotterdam-Zuid (IJsselmonde) het Stadion Feijenoord gereed. Van aanvang af werd het in de volksmond ‘De Kuip’ genoemd. Het is de thuishaven van voetbalclub Feyenoord. Het stadion werd ontworpen door architect Leendert van der Vlugt, die eerder (in 1931) de bekende Van Nellefabriek in Rotterdam had ontworpen. Door het Schotse Celtic in de finale te verslaan won Feyenoord in 1970 als eerste Nederlandse voetbalclub de Europacup 1.
• Bombardement op Rotterdam (1940) Direct aan het begin van de Tweede Wereloorlog, op 14 mei, voerden de Duitsers in een kwartier tijd een zwaar bombardement op Rotterdam uit. De historische binnenstad werd volledig verwoest. Meer dan 24.000 woningen werden in de as gelegd, ongeveer 800 mensen vonden de dood en 80.000 Rotterdammers werden dakloos. Een dag later gaf Nederland zich over. Het in 1953 onthulde op het Plein 1940 beeld ‘De Verwoeste Stad’ van Ossip Zadkine herinnert aan deze dramatische gebeurtenis.
• Bloemencorso Bollenstreek (1947) In april 1947 werd voor de eerste keer het bloemencorso tussen Noordwijk en Haarlem georganiseerd. De kleurrijke optocht markeert het begin van toeristische belangstelling voor de Bollenstreek. Drie jaren later werd bij Lisse De Keukenhof geopend waar jaarlijks in het voorjaar tussen bolgewassen uit de Bollenstreek worden tentoongesteld. Keukenhof en Corso trekken al jarenlang jaarlijks een miljoen bezoekers uit de hele wereld.
• Watersnoodramp (1953) Bij de Ramp die in in de nacht van 31 januari op 1 februari1953 Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden trof vielen 1795 doden; 865 daarvan kwamen uit Zeeland en 677 uit Zuid-Holland. Op het eiland Goeree-Overflakkee stonden de dorpen Oude- en Nieuwe Tonge binnen een half uur twee tot drie meter onder water.
• De eerste moskee (1953) In 1955 werd in de chique Haagse wijk Benoordenhout de eerste moskee in Nederland gebouwd: de Mobarak Moskee.
• Den Haag en Nederlands Indië (20e eeuw) Pasar Malam Besar 1959 Het eerste multiculturele festival in Nederland, werd in 1959 voor het eerst georganiseerd in de Haagse Dierentuin. Dat dit in Den Haag gebeurde is geen toeval, want hier vestigden zich na de Tweede Wereldoorlog veel inwoners van het voormalige Nederlands Indië. Tegenwoordig vindt de Pasar Malam Besar jaarlijks plaats op het Malieveld. Het festival stimuleert de aandacht voor de Indische en Euraziatische cultuur en bevordert de kennis over Indische Nederlanders en hun (cultuur)geschiedenis, die een onvervreemdbaar onderdeel van de Nederlandse geschiedenis is. Couperus Den Haag is altijd de Nederlandse stad geweest die het meest verbonden was met Nederlands Indië. Ook de Haagse auteur Louis Couperus (1863-1923), zelf afkomstig uit een koloniale familie, heeft in veel van zijn boeken het ‘Haags Indische’ milieu van rond de eeuwwisseling beschreven.
• Opkomend milieubewustzijn (vanaf begin jaren ’60) De eerste milieuactiegroep In 1963 werd in Vlaardingen de ‘Vereniging tegen Luchtverontreiniging in en om het Nieuwe Waterweggebied’ opgericht. Tegenwoordig is de naam ‘Vereniging tegen Milieubederf in en om het Nieuwe-waterweggebied’. De vereniging claimt de oudste nog bestaande milieuorganisatie in Nederland’ te zijn. De Lickebaert-affaire In 1989 werd Nederland wordt opgeschrikt door de ‘Lickebaertaffaire’, nadat een boer in de Lickebaertpolder (bij Vlaardingen) had ontdekt dat zijn melk en kaas waren verontreinigd met kankerverwekkende dioxines, die afkomstig zouden zijn uit de vuilverbrandingsoven in de buurt. De affaire was een belangrijke stap in het groeiende milieubewustzijn van de Nederlanders
• Van Brienenoordbrug (1965) In 1965 werd de eerste Van Brienenoordbrug geopend. De brug verwierf snel landelijke bekendheid door de gigantische verkeersstromen die erover kwamen en die dagelijks files veroorzaakten. De files op ‘de Vanbrienenoord’ accentueerden het groeiende mobiliteitsprobleem in de randstad. In 1990 werd een tweede Van Brienenoordbrug in gebruik genomen, waardoor de capaciteit werd vergroot naar ruim 250.000 voertuigen per dag.
• Popcultuur (jaren 60 en 70) Beathoofdstad Den Haag Haagse groepen waren vanaf het begin van de popmuziek in de jaren zestig bijzonder populair. De eerste singel van de Golden Earring, Please go (1965), stond liefst 27 weken op ‘nummer 1’ in de hitlijsten. In 1969 scoorde Shocking Blue met Venus een nummer 1-hit in de Verenigde Staten. Popfestival Kralingen In 1970 werd in het Rotterdamse Kralingen wordt het Holland Popfestival gehouden, een Hollandse variant van het Amerikaanse Woodstock Festival (1969).
• Deltawerken (1958-1997) Na de Watersnoodsramp van 1953 werden maatregelen genomen om dergelijke rampen in de toekomst te voorkomen, het zogeheten Deltaplan. In 1958 werd een beweegbare stormvloedkering in de Hollandse IJssel geopend om de Randstad te beveiligen. Vervolgens werden in de jaren 1960 en 1970 onder andere het Volkerak en het Haringvliet afgesloten. De geplande afdamming van de Oosterschelde begon in de jaren 1970 echter steeds meer mensen tegen te staan: men vreesde dat afdamming het waterleven in de zeetak onherstelbaar zou beschadigen. De regering zocht daarom naar andere oplossing. Uiteindelijk werd in 1976 besloten om in de geplande dam schuifdeuren aan te brengen. Deze deuren staan onder normale omstandigheden open, maar kunnen bij zware storm dicht. De instroom van zout water en de getijdenwerking, en daarmee het unieke leefmilieu in de Oosterschelde, werden daarmee behouden. In 1986 werd de dam opgeleverd. Elf jaar later waren de Deltawerken, met de oplevering van de Maeslantstormvloedkering in de Nieuwe Waterweg, definitief voltooid.
• Maasvlakte (1973) In 1973 meerden de eerste schepen aan in de Maasvlakte, een 40 km2 groot industriegebied dat is aangelegd in de Noordzee en dat werd gerealiseerd door het leggen van een ringdijk waarbinnen zand uit de Noordzee werd opgespoten. De Maasvlakte maakt deel uit van de Rotterdamse haven, en hoort tot de gemeente Rotterdam, waarvan het centrum ruim 40 kilometer verderop ligt.
Met dank aan het Provinciaal Historisch Centrum, die met bovenstaande hard aan het werk is.

