Venlo

Uit Genealogie Limburg Wiki
Versie door Louis Schelberg (Overleg | bijdragen) op 10 nov 2016 om 14:15

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
Het wapen van Venlo
Het stadhuis te Venlo.


Inhoud

Algemene informatie

Dit artikel behandelt in grote lijnen de rijke Geschiedenis van de stad Venlo vanaf de oudheid tot het heden. Ook andere historie-gerelateerde onderwerpen komen aan bod.

Oudste geschiedenis

Prehistorie en oudheid

De eerste bewoners, althans van wie sporen zijn gevonden, waren boeren uit de bronstijd en vroege ijzertijd, zoals verscheidene grafheuvels getuigen. De best onderzochte bevinden zich in het Jammerdal, dicht bij de Duitse grens. In de eeuwen voor de jaartelling werd het gebied van Venlo bewoond door de Kelten. Toen de Romeinen hun invloed tot deze streken uitbreidden berichtten dezen dat hier de Keltische stam van de Eburonen woonde. Door hun hardnekkige verzet tegen de Romeinen werden deze voor het grootste gedeelte uitgeroeid waarna Germanen uit de omgeving van de Rijn op uitnodiging van de Romeinse bezetters hun plaats innamen. Aan de Maas werd een soort politiepost gevestigd: Blariacum, het huidige Blerick. De naam Blariacum is zelfs aangegeven op de bekende Romeinse wegenkaart de Peutinger kaart. Aan de andere kant van de Maas vestigden zich geleidelijk ook Romeinse kolonisten, waarschijnlijk veteranen uit de legioenplaatsen aan de Rijn, en geromaniseerde autochtonen. Dit werd het begin van Venlo. Venlo is aldus sinds de Romeinse tijd bewoond. Dit is recentelijk aangetoond door opgravingen langs de Maasboulevard. Waarschijnlijk is de bewoning sindsdien min of meer continue gebleven wegens de belangrijke kruising van de wegen vanuit het zuidelijke Gallië naar Noviomagus (Nijmegen) en Colonia Ulpia Traiana (Xanten). Ook was er een oversteekplaats over de Maas waar zelfs resten van een Romeinse houten brug worden vermoed.

Middeleeuwen

Tijdens de chaotische Grote Volksverhuizing werd het Maasdal en ook Venlo grotendeels ontvolkt, maar toen de rust weergekeerd was nadat de Franken hun macht hadden geconsolideerd, begon de bevolking en de regionale handel zich weer langzaam te herstellen. In de bisschoppelijke archieven van Keulen wordt Venlo in de 8e eeuw alweer genoemd als een centrum van handel aan de Maas. In de periode van 879-884 plunderden de Noormannen deze regio, maar er zijn tot nu toe geen (brand)sporen van teruggevonden in Venlo, wel een fraai bewerkte viking-bijl. De oudste vermelding van een parochiekerk in Venlo is uit 999. De aartsbisschop van Keulen, Evergerus, ruilde toen met de bisschop van Luik, Notgerus, de kerk van o.a. Venlo tegen die van Mönchen-Gladbach en Rheydt.

In de Middeleeuwen was Venlo een van de belangrijkere verplichte stapelplaatsen aan de Maas, die behoorde tot het Gelderse Overkwartier en die lid was van de Hanze. Het kende tollen aan de rivier, teken van druk handelsverkeer, en het was het centrum van de linnennijverheid. De eerste vermelding van een Gelderse schepenbank te Venlo dateert van 1269. In 1343 verleende hertog Reinald II van Gelre stadsrechten aan Venlo. Door de stadsverheffing in 1343 werd de aloude schepenbank daarom tot een stadsschepenbank. Er werd rechtstreeks handel gedreven via de Maas met vooral Luik, Maastricht, Roermond en Nijmegen. In deze bloeiende handelsplaats vestigden zich daarom Noord-Italiaanse bankiers (Lombarden genaamd) vermeld in 1348 en 1350. Via verschillende landwegen werd ook intensief gehandeld met het Duitse achterland, onder meer met Keulen, waar heden nog een Venloër Straße (Venlose Weg) is.

Nieuwe tijd

Venlo 1742 vanuit het noorden gezien

Het hertogdom Gelre kwam als laatste gewest bij de val van Venlo in 1543 de facto, en bij het Tractaat van Venlo de jure in handen van keizer Karel V, die het met de rest van zijn Nederlandse bezittingen verenigde. Juist in deze periode waren er (na de Middeleeuwen) weer pestepidemieën in Venlo, namelijk in 1580, 1598/99, 1615 en 1623 die de bevolking decimeerde. Ook economisch leed de stad onder rivierblokkades (o.a. 1625-1629) of door nieuwe tolheffingen langs de Maas (1713-1750) waardoor de handel grotendeels stil viel. Relatief was de periode 1650-1700 de gezondste en rustigste periode, waarin veel gebouwd werd en de bevolking toenam.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd geregeld slag geleverd om de stad, waarbij het een aantal keren van landsheer was gewisseld. De Vrede van Münster wees in 1648 het Overkwartier en daarmee Venlo toe aan Spanje. De Spaanse Successieoorlog leidde vervolgens tot het Barrièretractaat, waarbij het Overkwartier tijdens de Vrede van Utrecht 1713 werd opgedeeld tussen Pruisen, Oostenrijk en de Nederlandse Republiek. De stad werd nu onderdeel van de Republiek en kwam te liggen in het generaliteitsland Staats Opper-Gelre.

Heel Staats Opper-Gelre werd in 1795 door het Franse revolutionaire leger veroverd. Gedurende deze Franse tijd werd de Venlose sociale, bestuurlijke en maatschappelijke structuur grondig op zijn kop gezet door de nieuwe revolutionaire machthebbers: o.a. het middeleeuwse feodale staatsbestel werd afgeschaft en vervangen door een burgerlijk bestuur. Daarnaast werd het verschil tussen de inwoners die burgerrecht hadden (ongeveer de helft) en de niet-burgerrecht hebbende inwoners opgeheven. Dit was trouwens in alle landen het geval die door hen en iets later Napoleon veroverd werden. Na het definitieve vertrek van de Fransen in 1814 werd het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden gevormd, maar veel Franse vernieuwingen bleven gehandhaafd. De Fransen hadden reeds de vele versnipperde Limburgse gebieden samengevoegd tot het Département de la Meuse-Inférieure (Departement van de Nedermaas of Beneden-Maas). Venlo ging tot de nieuwgevormde provincie Limburg behoren, die voor een groot deel samenviel met het door de Fransen gevormde departement, vermeerderd met wat kleinere annexaties van het Departement van de Roer en van het voormalige Hertogdom Gulik. Na de Belgische opstand in 1830 werd Limburg in 1839 gesplitst in Belgisch Limburg en Nederlands Limburg. Anders dan de rest van het gebied, dat omschreven kan worden als het huidige Limburg, werd Venlo (evenals Maastricht) geen lid van de Duitse Bond. Economisch leed de stad onder de afsluiting van de Maas van 1830 tot in 1833. In 1842 werd de oudste nog bestaande carnavalsvereniging van Nederland met de naam "Sociëteit Jocus" opgericht in hotel Suisse in de Vleesstraat te Venlo. In carnavalstijd krijgt Venlo de naam Jocusriëk.

Moderne geschiedenis

Venlo in 1850 vanuit het zuidwesten

19e eeuw

Venlo was al sinds de Middeleeuwen een vestingstad. In de 17e eeuw en 18e eeuw werden de vestingwerken om de stad nog flink uitgebreid met grachten en wallen. In de stad verrees een kazerne om de vaste compagnie soldaten die de vestingwerken moesten bewaken te huisvesten. In oorlogstijd werden er van elders meer soldaten voor de verdediging van de wallen de stad ingebracht die dan bij de burgers werden ingekwartierd. Buiten de wallen mocht niet gebouwd worden om een goed schootsveld te behouden voor de militairen. Hierdoor bleef de bevolking geconcentreerd in het steeds dichterbevolkte stadscentrum dat een bepaald ongezonde omgeving was door o.a. de slechte sanitaire voorzieningen: een riool was er niet. Meer dan eens werd de stad dan ook het slachtoffer van tyfus en cholera. Midden 19e eeuw verloren vestingsteden hun militaire nut en tenslotte werd door de regering besloten om de stadswallen van veel vestingsteden te slechten. Ook Venlo mocht in 1867 de wallen slopen en kon daarna beginnen met uitbreiding van de bebouwing. Dit was hard nodig om het overbevolkte stadscentrum te ontlasten. Ook kon Venlo eindelijk beginnen met de aanleg van een fatsoenlijke infrastructuur. Hierna maakte de stad een stormachtige groei door. Aan de uitvalswegen verrezen nieuwe huizenrijen in veelal de modieuze Jugendstil en de neogotiek van rond 1900.

Tweede Wereldoorlog

Op 9 november 1939 vond in Venlo het Venlo-incident plaats. Twee Engelse spionnen werden vanaf Nederlands grondgebied bij de grensovergang Venlo-Herongen ontvoerd naar Nazi-Duitsland door een Duits overvalcommando. In een kort vuurgevecht werd Lt. Klop, de Nederlandse waarnemer, gedood. Hitler gebruikte het Venlo-incident mede als excuus om de Duitse inval in mei 1940 Nederland te rechtvaardigen: de betrokkenheid van een Nederlandse officier bij dit grensincident zou naar zijn mening het bewijs zijn dat Nederland niet neutraal was.

Direct na de inval in 1940 legden 15.000 dwangarbeiders op last van de Duitsers een groot militair vliegveld aan ten oosten van Venlo. De aanleg werd voornamelijk uitgevoerd door Nederlandse aannemers en duizenden Nederlandse arbeiders, die in Venlo en de omgeving werden ingekwartierd. Dit Fliegerhorst Venlo was een groot complex en besloeg bijna 1800 hectare. Kilometers lange taxibanen verbonden ca.100 hangaars met de start- en landingsbanen. Uniek voor Europa is dat het vliegveldterrein zowel op Nederlands als op Duits grondgebied lag. Het vliegveld werd vooral gebruikt door Luftwaffe-nachtjagers, die vanuit Venlo naar schatting 400 geallieerde bommenwerpers neerhaalden. Op het grensoverschrijdende natuurterrein ten oosten van Venlo ("de Grote Heide" genaamd) resteren nog enkele nog gebouwen, zoals de booghangar, de commandobunker en de verkeersleidingstoren. Deze laatste kreeg in 2005 de status van rijksmonument. De Nederlands-Duitse vereniging Förderverein Ehemaliger Fliegerhorst Venlo is thans bezig om enkele overblijfselen van dit voormalige Duitse vliegveld te behouden. Allereerst ter nagedachtenis aan de vele slachtoffers van de luchtoorlog, maar ook om bepaalde restanten toegankelijk te maken voor bezoekers. De vereniging wordt daarin gesteund door de gemeente Venlo en enkele Duitse nabuursteden.

De gemeente Venlo verloor ruim 1000 inwoners door het oorlogsgeweld, waaronder ook een groot deel van de Joodse gemeente. Anderzijds was Venlo met haar spoor- en wegverbindingen ook een belangrijke schakel in de hulp aan onderduikers en geallieerde piloten op de vlucht. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog leed Venlo veel schade, mede doordat de frontlinie 3 maanden lang langs de Maas liep en door de stadsdelen liep. Kwam de stad tot oktober 1944 redelijk ongeschonden de oorlog door, dertien pogingen van de geallieerde luchtmacht om de strategisch belangrijke Maasbruggen te vernielen, brachten de dichtbevolkte wijken rondom de bruggen zware schade toe en kostte ruim 300 burgers het leven. In de eerste maanden van 1945 werd een groot deel van Venlo geëvacueerd onder Duitse dwang. De stad werd op 1 maart 1945 bevrijd door de 35e 'Santa Fe' divisie van het Amerikaanse leger. Het grotendeels verwoeste Venlose vliegveld werd deels hersteld en als Amerikaanse luchtmachtbasis 'Yankee 55' gebruikt om de geallieerde Rijnoversteek mogelijk te maken.

Veldslagen om Venlo

Hoezeer Venlo door de eeuwen heen het toneel van krijgshandelingen is geweest, toont de volgende tabel. Soms ging dat gepaard met veel geweld, soms amper. Het jaartal wordt gevolgd door de opdrachtgever / aanvaller en het resultaat (→).

Kaart van Venlo medio 1600 met de nieuwe vestingwallen/schansen; er staat nog wel het oude stadhuis op, dat toen al vervangen was.

Archeologie

Prehistorie

In het Jammerdal zijn verscheidene grafheuvels uit de bronstijd en ijzertijd gevonden, waarvan er enkele nog urnen met grafgiften bleken te bevatten. Ook zijn er her en der in de omgeving stenen werktuigen gevonden uit het neolithicum.

Romeinse tijd (1e-5e eeuw na Christus)

Er zijn diverse sporen gevonden die wijzen op een handelsnederzetting met eveneens een militair karakter (wangklep van helm gevonden uit 1e eeuw). Er zijn vele losse vondsten als munten, aardewerk, amfoorresten, een mantelspeld etc. gedaan. Aardewerkvondsten en de aanwezigheid van een oven (gevonden tussen de Vleesstraat en de Nieuwstraat) duiden op pottenbakkersactiviteit. Op grond van de vondst van Keltische en Romeinse munten meent de gemeente-archeoloog dat de militaire post van de Romeinen in Venlo al vroeg gevestigd is. Er stond ook een rechte rij natuurstenen huizen, kenmerkend voor de Romeinse tijd, tussen de Wijngaardstraat en de Kolenstraat, evenals een groot stenen gebouw (een herberg/paardenwisselstation ?), waarvan de funderingen zijn gevonden, maar ook stukken van muurschilderingen, delen van vloerverwarming en grote funderingssleuven. Ook aan de Havenkade zijn acht Romeinse huizen gevonden onder de voormalige middeleeuwse stadsmuur. Ter hoogte van het huidige Romerhuis stond een gebouw, dat afbrandde en waarvan de kelder en de dakpannen zijn teruggevonden. Buiten deze vicus lag een kerkhof op de grens met het huidige Tegelen. Delen (grinddek/knuppelweg) van een Romeinse weg zijn aangetroffen evenwijdig onder de Jodenstraat. Tenslotte zijn enige paalresten gevonden van een houten brug over de Maas ten zuiden van de spoorbrug. Vermoedelijk lag Venlo met haar doorwaadbare plaats aan de kruising van wegen tussen Tongeren-Nijmegen, Keulen/Nijmegen en Xanten-Tongeren. Op oude kaarten is in de nabijheid de Romeinse naam Sablones of Sablonibus overgeleverd aan de weg van Tongeren naar Xanten, waarvan tot voor kort gedacht werd dat het Kaldenkirchen (net over de grens) betrof, maar het wordt steeds waarschijnlijker dat dat wel eens de oude naam van Venlo geweest kan zijn. Ook omdat er in en om Kaldenkirchen geen Romeinse bouwwerken zijn gevonden en het logischer is dat een dorp gelegen aan een kruispunt op een wegenkaart vermeld wordt. De naam betekent zand en op die plek lagen inderdaad toen ten noorden daarvan stuifduinen (nu heet het Kwietheuvel).

Vroege Middeleeuwen (6e-10e eeuw)

Uit deze tijd zijn graven gevonden. Ofschoon het gebied rond 880 door de Noormannen werd geplunderd zijn er tot nu toe geen (brand-)sporen of verspreid liggende lijken (zoals in Zutphen) gevonden. Wel is er een zwaard uit de tijd in Venlo gevonden.

Latere Middeleeuwen (11e-15e eeuw)

Er is onlangs bij het restant stadsmuur (ontgraven in 2004 o.l.v. de stadsarcheoloog Maarten Dolmans) aan de Maas-zijde een bijzondere kelder uit circa 1340 gevonden. Deze archeoloog heeft onterecht verondersteld dat dit een joodse rituele badplaats (mikwe) was, gezien het feit dat er al in de vroege Middeleeuwen joden te Venlo woonden (die voor handelsactiviteiten zorgden) en ook de naam Jodenstraat vormde een indicatie. Deze kelder is in zijn geheel overgebracht naar het Limburgs museum in Venlo en daar tentoongesteld. Nader onderzoek toonde aan dat het niets Joods had en vermoedelijk de kelder met beerput was van 1 of 2 huizen. Bijzonder is dat het aan één kant tegen de overblijfselen van een nog ouder pand stond. Dit gebouw, van voor de 13e eeuw, is het oudste stenen pand van middeleeuws Venlo. Waarschijnlijk betreft het een pand van de Hertog van Gelre en is het een Waaghuis of een Tolhuis.

Venlo heeft twee eigen stadsarcheologen, Maarten Dolmans en Jacob Schotten. Problematisch is dat de andere stadsarcheoloog, evenals een speciaal hiertoe ingestelde onderzoekscommissie, een geheel andere mening heeft over dit pand, namelijk dat het helemaal geen mikwe is, maar een onderdeel van een voornaam pand (b.v stadhuis). Het is alleen een bijzonder soort kelder.[1]

Aan de zuidzijde van de Sint-Martinuskerk heeft zich de Hertogenhof of Prinsenhof bevonden. Bij opgravingen in 1991 aan de Lohofstraat, bleek het gebouwd te zijn rond 1275 en bestond het uit twee vierkante torens die waren verbonden door een groot zaalgebouw (de afmetingen van de zaal waren 15,50 bij 11 meter).

Religie

Ontstaansgeschiedenis

Rond 760 werd er, na de kerstening door St. Plechelmus (met Wiro en Otger), een kerkje gebouwd gewijd aan de Heilige Geest. Of dit de voorganger is van de St. Martinuskerk uit de 9e eeuw is niet bekend. Rond het jaar 1000 werd de Martinuskerk opnieuw gebouwd in Romaanse stijl. In 1480 kreeg de kerk een toren (22,5 m) die in de wijde omtrek was te zien. In 1776 werd er een nieuwe toren (49 m) gebouwd, evenals in 1953.

In 1244 stichtte het schippersgilde een kapel ter ere van hun patroon St. Nicolaas aan de daar naar vernoemde St. Nicolaasstraat. In 1339 werd de bediening van deze kapel overgenomen door de Kruisheren en werd een klooster gesticht.

Naast twee kerken, kreeg Venlo ook twee gasthuizen en vier kloosters. Het eerste gasthuis werd in 1385 ten oosten van de markt als het St. Jorisgasthuis gebouwd. Het gasthuis kreeg ook een gotische kapel, wat nu de St. Joriskerk is. Ongeveer 30 jaar later, in 1416, werd in het centrum van Venlo een klooster Mariaweide gesticht (aan de Nieuwstraat in het kloosterkwartier) door de ‘Augustinessen op de Weide’. Aan het eind van de 15e eeuw werd hier een kapel aan toegevoegd.

Een ander klooster (Mariëndal) werd in 1418 gesticht op de plek waar nu het ‘kapelletje van Genooi’ staat. Dit klooster werd in 1582 verwoest door de Tachtigjarige Oorlog. De zusters Annunciaten van het klooster vestigden zich sindsdien in het klooster Trans Cedron [2] van de Cellebroeders in het centrum van Venlo (Kleine Beekstraat in het kloosterkwartier). De zusters Annunciaten werden tijdens de Franse tijd verjaagd. Daarna hebben de Dominicanen vanwege de Kultur-kampf er hun intrek gevonden. In 1533 was er (hoek Maasschriksel/Helschriksel) een St. Jacobsgasthuis, waartoe ook de St. Jacobskapel behoorde. Deze is echter al in 1580 buiten gebruik gesteld en liep in 1702 schade op door belegeringen.

In 1614 tot 1616 werd in het centrum van Venlo het vierde klooster (Fransiscanenklooster) gebouwd. In 1617-1620 werd hieraan de Minderbroederskerk hieraan toegevoegd. De kerk is nu in gebruik als jongerenkerk. De jongerenkerk heeft haar eigen parochie.

In 1631 werd op de plek waar het klooster Mariadal stond het O.L. Vrouwekapel van Genooi gebouwd. Ter herinnering aan het klooster. Sinds 1829 behoort de kapel toe aan de St. Martinusparochie.

Komst van de protestanten

De eerste protestanten kwamen in Venlo in 1530, toen de tong van predikant Jacob van Lovendael werd gebrand. Ook de Beeldenstorm vond in Venlo plaats in 1566. Uiteindelijk veroordeelde de Raad der Beroerten 103 inwoners wegens deze ketterij en verzet. Van de veroordeelden werden de meesten verbannen. De protestanten vonden vanaf 1570 hun heil in het klooster Trans-Cedron en later in de St. Nicolaaskerk. Tussen 1586 en 1590 (na belegering van de Alexander Farnese Hertog van Parma), moesten de protestanten hun heil zoeken in het Duitse Kaldenkerken.

In 1632 veroverde Frederik Hendrik van Oranje de stad en kregen de Hervormden de St. Joriskapel toegewezen. Na 5 jaar moesten zij hun heil op zondag weer zoeken in Kaldenkerken, vanwege de Spaanse troepen. In 1655 werden ze uit de stad verbannen. In 1702 werd de stad toegekend aan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en kregen de Hervormden (20 man) de St. Joriskapel weer toegewezen.

De kapel werd snel te klein door de troepen van de Staat en de St. Joriskapel werd uitgebreid tot St. Joriskerk. In 1719 werd de kerk feestelijk geopend. Wegens rellen werd de Gasthuisstraat verboden gebied voor katholieken.

In de Franse tijd (na 1795) gebruikten de Fransen de kerk als stal voor hun paarden, namen de kerkklok in beslag en molesteerden de banken en preekstoel. De kerkgemeente verkeerde in financiële nood en kreeg hulp van het classis van Nijmegen. Langzamerhand ging het beter, totdat de Belgische Revolutie in 1830 uitbrak. Opnieuw werd het leven van de protestanten zuur gemaakt, maar na enkele jaren hielp het stadsbestuur en de Belgische regering de protestanten en schonk hen zelfs een nieuwe kerkklok. Toch waren de protestanten blij dat de Nederlanders in 1839 Venlo weer binnentrokken.

Na 1850

In 1877 werd de St. Nicolaaskerk gerestaureerd en als hulpkerk aan de H. Maartenparochie verbonden en in 1894 werd een rectoraat aan de kerk verbonden.

In 1881 werd in het noorden (in de Veegtes) van Venlo het klooster Mariadal (niet te verwarren met het klooster Mariadal in Genooi) door Duitse zusters gesticht. Het klooster had een kapel en een rectoraatswoning.

Kort na de eeuwwisseling in 1900 stichtte de Jezuïeten het retraitehuis ‘Manresa’ op de Leutherberg. Toen hier daarna veel huizen werden gebouwd, kwam er in 1910 een eenvoudig hulpkerkje gewijd aan de O.L.V. van Lourdes. De Fransiscanen, die in Venlo een klooster wilden stichten, namen de verzorging van de parochie op zich. Nadat er steeds meer mensen in het gebied kwamen wonen, werd daar de Don Bosco-parochie gesticht. In 1957 kreeg de parochie haar eigen kerk.

Na de eeuwwisseling werd Venlo steeds groter en kwamen er diverse kerken en parochies bij. Aan het eind van de 19e eeuw kwamen er ook gereformeerden in Venlo. In tegenstelling tot de Nederlandse Hervormden, waren er niet veel gereformeerden. Toch bouwden zij in 1911 hun eigen kerk. In Venlo-Zuid werd in 1913 de O.L. Vrouwe van Onbevlekt Ontvangen-kerk van de Onze Lieve Vrouwe-parochie in gebouwd, die in 1915 in gebruik genomen werd.

In 1921 tot 1926 werd de Heilige Hart van Jezus-kerk gebouwd op de kruising van de Straelseweg en de Veldenseweg. De wijk Genooi viel officieel ook onder deze parochie, maar veel bewoners zochten heil bij de Mariakapel, die als hulpkerk fungeerde. Ook werd in 1939 net buiten het centrum een nieuwe parochie gesticht, de Heilige Familie-parochie en kreeg een eigen kerk.

Pastoor-deken J.L.A. (Jules) van Oppen van de St. Martinusparochie was onder de Limburgse geestelijken het eerste slachtoffer van de naziterreur in de Tweede wereldoorlog. Hij overleed in Kamp Vught in 1943. Kapelaan Jacobus Johannes Naus van dezelfde parochie zou een volgend slachtoffer worden, zie [1] en [2].

Monumenten

Door de bombardementen tijdens de oorlog zijn helaas veel historische gebouwen uit de Venlose binnenstad verdwenen zoals de middeleeuwse woningen nabij de Maasbrug (Kwartelenmarkt), de joodse synagoge en de kloostercomplexen aan de zuidkant. Daarnaast is kort voor en na de tweede oorlog ook een aantal laat-middeleeuwse panden gesloopt in het kader van de vernieuwingsdrang aan met name aan het zuidelijk deel van de Jodenstraat (1930-1940) en het Helschriksel (1950/1960). Gelukkig is Venlo's voornaamste monument, het stadhuis aan de sfeervolle Markt, ongeschonden gebleven. Ook het middeleeuwse stratenplan van de binnenstad is goed bewaard gebleven, wat vrij zeldzaam is voor Nederland. Recent onderzoek achter de huidige en moderne gevels aan de Vleesstraat/Lomstraat, Klaasstraat en de Parade heeft aangetoond dat veel huizen nog een (laat-)middeleeuwse kern hebben. Het aantal middeleeuwse panden bedraagt 60 stuks, met woonhuizen daterend uit de periode 1450-1550 toen Venlo grote welvaart kende en men in staat was dure stenen huizen te bouwen. Opgemerkt wordt nog dat de naoorlogse sloopwoede (tot aan 2004 zelfs) veel middeleeuwse huizen in het gebied tussen de Maas en het Helschriksel alsnog fataal is geworden.

St.Martinuskerk te Venlo voor 1945

In het oog springende historische gebouwen zijn:

  • Stadhuis Venlo uit 1597-1599 (met middeleeuwse kern uit begin 1300)
  • Huize Schreurs (ook genaamd Vogelsanck/Boener huis) uit 1588
  • Romerhuis uit vermoedelijk 1521
  • Voormalige Stadsschool (later weeshuis) uit 1611
  • Huis Ottenheym in de Vleestraat 7-9 (uit circa 1445)
  • Parade 28 (gevelanker 1611, maar oudere kern)
  • Parade 62-64
  • Stad Frankfort (hoek Vleesstraat/Gasthuisstraat) uit 1344

en diverse kerken of kerkjes, met als belangrijkste de

  • St. Martinuskerk (slechts ten dele ongeschonden uit de oorlog gekomen)
  • Ridderlijk Huis Stalberg uit 1389, gelegen buiten de oude stad.

Stadsmuren en poorten

De Maaspoort in 1741

Rond 1350 wordt de stadsmuur gebouwd op de plaats van de aarden wal die de handelsnederzetting moest beschermen. Omstreeks 1375 was deze muur met veertien torens voltooid en was Venlo een vestingstad geworden. In de ringmuur om de vestingstad Venlo bevonden zich vier stadspoorten. Aan de noordzijde de Helpoort, die in 1804 werd vervangen door de Gelderse poort. Hier was ook Fort Ginkel gebouwd. Aan de oostzijde bevond zich de Laar- of Keulse poort, samen met Fort Keulen. Aan de zuidzijde was de Tegelpoort, die later door de Roermondse poort werd vervangen. Hoewel aan deze zijde niet over een fort wordt gesproken, is op een plattegrond van Joan Blaeu uit 1652 wel een versterking te zien. Dit was vermoedelijk het bastion Reede, genoemd naar Godard van Reede. Ook werd het eiland De Weerd in de jaren dertig van de 18e eeuw met het vasteland verbonden door de bouw van het bastion Le Roy (ook wel Schoppen-Aas genoemd). Hierdoor werd de zuidelijke ingang van het eiland afgesloten. Tenslotte stond aan de rivierzijde de Maaspoort, die de stad met de haven verbond. In 1984 is in de buurt van deze voormalige stadspoort aan de Maas een theater gebouwd dat dezelfde naam draagt. Van de stadsmuur is aan deze kant een klein stuk bewaard gebleven, genaamd "De Luif", met daarin vensters met ijzer tegen het smokkelen van goederen ter ontduiking van de stadsbelastingen.

Aan de overzijde van de Maas was in 1642 al Fort Sint-Michiel gebouwd door de Spanjaarden als vooruitgeschoven westelijk verdedigingswerk. Omdat het fort tamelijk ver van de Maas lag, werd in 1831 tussen dit fort en de Maas het aarden Fort Leopold aangelegd.

De stadspoorten bestonden uit twee dicht bij elkaar staande torens, waartussen houten poortdeuren, beslagen met ijzerwerk, waren bevestigd. Bovendien waren de poorten voorzien van ijzeren valhekken, opgehangen aan zware ijzeren kettingen. Deze dienden niet alleen als extra afsluiting, maar waren tevens bedoeld om de vijand die de poort wilde overmeesteren te verpletteren. Vanaf 1754 tot ver in de negentiende eeuw werd er 's avonds poortgeld geheven. Daarnaast controleerden de portiers ook of er daadwerkelijk stadsbelasting op goederen was betaald. Met de slechting van de vesting werden ook de poorten gesloopt.

Intussen zijn alle vestingwerken van de stad Venlo tot het maaiveld gesloopt. Op twee plaatsen is echter een klein stukje ervan behouden gebleven, namelijk een deel van een lunet in de kloostertuin Mariaweide (tegenwoordig grondgebied van het Toon Hermans Huis) in het kloosterkwartier, en de Luif dat aan de zijde van de Maas ligt. De vestingresten die zich hier ondergronds bevonden zijn verwijderd toen men het gebied ging afgraven om er de nieuwe Maasboulevard te bouwen.

Uitgebreide informatie over de vestingwerken is te vinden op Wikipedia: Vestingwerken van Venlo.

Haven van Venlo

Waarschijnlijk zijn er ter hoogte van de Maasboulevard tussen de 3e en 12e eeuw weinig handelsactiviteiten geweest op de oostelijke oever langs de Maas. In de loop van de 12e eeuw wordt de Maasoever weer belangrijk en rond 1200 komt dan de Maashandel sterk op, waardoor handelaren een aanleiding hebben zich aan de Maas te vestigen en hier rond 1275 bij een rivierduin (Kwietheuvel/Oude Markt) een houten kade aan te leggen. Bij Venlo wisselt de diepgang en stroomsnelheid van de Maas, waardoor dit een uitermate geschikte plaats wordt om goederen in een andere type schepen om te laden. De haven die hier rond 1250 ontstaat is van groot belang voor de prestedelijke nederzetting. In de Middeleeuwen was De Weerd een eilandje in de Maas bij Venlo. De laagten bij de haven en Maasbrug werden in de achttiende eeuw met puin aangevuld en zo ontstond het Bastion Le Roy, waardoor er een verbinding met de Maaskade ontstond.

Al in de middeleeuwen fungeerde de Venlose haven dus als overslagplaats voor goederen. Venlo dankte die functie aan het feit dat de Maas stroomopwaarts van Venlo veel ondieper is. Ter hoogte van de Bolwaterstraat was een laad- en loskade en tussen de Maaskade en het intussen tot schiereiland veranderde De Weerd was een vluchthaven waar schepen in de winter bij zware ijsgang een veilige schuilplaats vonden. Het recht van vrije opslag maakte Venlo tot stapelplaats voor de Hollandse waren, die hier werden overgeladen en voor een deel werden verscheept naar het land van Gulik, Aken, Luik en Overmaas en andersom. Het feit dat Venlo vrijheid genoot van de meeste Gelderse tollen gaf aan deze handel nog meer uitbreiding. De havenfunctie was voor de ontwikkeling van Venlo van grote betekenis.

Door staatkundige veranderingen in het begin van de achttiende eeuw raakte de Maashandel echter in verval. De opening van de Zuid-Willemsvaart, in 1828, bracht de scheepvaart op en de handel in Venlo opnieuw een zeer gevoelige slag toe. Venlo besloot hierop de laad- en losplaats aan de haven te verbeteren. In 1837 werd begonnen met het uitbaggeren van de haven en werd de dam in de haven opgeruimd. In 1904 kreeg de Venlose haven de beschikking over een nieuwe aanlegplaats die zo was geconstrueerd dat binnenvaartschepen voortaan bij elke waterstand gelost en geladen konden worden. Deze kade werd zo gebouwd dat zowel bij hoge als bij lage waterstand het laden en lossen langer dan voorheen voortgang kon vinden. In september 1930 vond de opening van de vernieuwde haven plaats, nadat het eerst dichtgeslibt was.

In de jaren ’70 was de haven steeds minder in trek voor de handel en verdween alle activiteit uit de haven. In de jaren die volgden werden steigers geplaatst, zodat er een passantenhaven ontstond waar pleziervaartuigen konden aanleggen. Tot het begin van de 21e eeuw werd de Kop van De Weerd als parkeerterrein gebruikt.

De oudste complete plattegrond van Venlo circa 1575 met alleen nog de middeleeuwse stadswallen

Inwonertal van de stad Venlo

Inwonertal Venlo
Jaar 1475 1535 1830 1849 1859 1869 1879 1889 1899 1909 1920 1930 1947 1960 2010
Inwoners 3.400 4.400 7.277 7.526 7.293 8016 9133 11.335 15.272 14.399 20.660 23.550 41.000 26.822 34.930

In 1849 telde de Stad Venlo zelf 873 huizen, waarvan er 50 onbewoond waren. Er waren daarnaast 4 kazernes (Infanterie, Artillerie, Cavallerie en Marechaussee).

Ernstige -de bevolking decimerende- ziekten te Venlo waren in (bij benadering):

  • 1349-1351 (pest)
  • 1368-1369 (pest)
  • circa 1400 (pest)
  • 1438-1439
  • 1455-1457
  • 1483
  • 1493-1495
  • 1565-1567 (pest)
  • 1573-1577 (pest)
  • 1598-1599 (pest)
  • 1615 (pest)
  • 1623 (pest)
  • 1635-1636 (pest)
  • 1676 (dysenterie)
  • 1747 (dysenterie)
  • 1781 (dysenterie)
  • 1793-1795 (dysenterie)
  • 1917-1918 (Spaanse griep)

Archief Venlo

Oudste plattegrond van Venlo circa 1575 door Jacob van Deventer

Het archief van deze gemeente is grotendeels compleet en ondergebracht in het gemeentearchief aan de Dr. Blumenkampstraat 1 te Venlo.

  • De katholieke doopregisters beginnen in 1615; de trouwregisters in 1615 en de overlijdensregisters in 1684 (parochie H. Martinus).
  • De protestantse (hervormd) Doopregisters beginnen in 1702, de Huwelijksregisters in 1716 en Overlijdensregisters in 1729.

Interessante bronnen zijn ook:

  • De schepenbank (aan- en verkopen, hypotheken, erfenissen, processen) vanaf 1352 tot 1794 (43 meter aan stukken).
  • Registers onroerende zaakbelasting (namen van eigenaren per straat). De volgende registers zijn bewaard gebleven: 1474, 1475, 1476, 1533, 1534, 1535, 1538, 1543 (alleen moestuinen), 1550, 1560, 1572, 1576, ca. 1580, ca. 1612, 1650 (land), 1651, 1652 (land), 1653, 1654, 1655, 1659, 1681, ca. 1685, 1693, 1694, 1695 en 1727. De plattegrond van de kavels en hun eigenaren is in 1842 voor het eerst opgemaakt.
  • Burgerboeken (inschrijving nieuwe burgers) 1508 — 1798; heeft echter een leemte van 1532-1595. De lijst is in drukvorm uitgekomen.
  • Stadsrekeningen (inkomsten en uitgaven van de stad met veel naamsvermeldingen). Hiervan is een deel in drukvorm overgenomen.

Archieflinks vindt u onderaan: de burgerlijke stand op https://www.wiewaswie.nl en de kerkboeken op www.8november.net. Zie daarnaast ook deze link DTB en Burgerlijke Stand.

Regentenfamilies van Venlo

Vogelsanck-Boener huis (later Schreurs-huis genoemd) aan de Grote Kerkstraat te Venlo

Criterium is dat er minstens twee personen uit één familie een hoge bestuursfunctie (rentmeester, scholtis, schepen of (pey)burgemeester) in de periode vóór 1813 moeten hebben vervuld.

Vele families waren onderling overigens verwant, waardoor gesproken mag worden van een oligarchie. Echter families stierven uit en nieuwe rijken kregen daardoor ook een kans om (onbezoldigde) bestuursfuncties te gaan vervullen. In het nieuwe in 1813 gestichte Koninkrijk der Nederlanden zijn de families (jhr.) Ruijs (de Beerenbrouck) en (jhr.) van Aefferden in de adelstand verheven.

Enkele families behoorden eveneens in Roermond tot het patriciaat (zoals Van Lom en Van Wessem).

De families aangegeven met * leven nog voort.

Literatuur

  • Gemeentearchief Venlo 2011: Venlo Vennelo Sablones - Twintig eeuwen wonen aan de Maas.
  • H.M. van der Velde, S. Ostkamp, H.A.P. Veldman en S. Wyns 2009: Venlo aan de Maas: van vicus tot stad.
  • Harry J.M. de Groot 2008: De stadsrekeningen van Venlo 1349-1417.
  • Frans Wolters 2005: Een liefde voor Venlo in Kaart.
  • Koos Berghs en Martin Bergevoet 2004: De Venlose vesting 1343-1867.
  • H.J.M. de Groot 2003: Venle/VENLO Hoe een stadje begon.
  • Boelens, Loontjes, Van Meegeren en Slits 2000: Duizend jaar Sint-Martinusparochie.
  • Frans Hermans et al. 1999: Venlo (Historische stedenatlas van Nederland).
  • Theo Huijs 1993: Historisch Vademecum (Venlo 650 jaar stad).
  • Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap 1990: Venlo's Mozaïek.
  • Albert Lamberts 1984: Venlo, binnen en buiten zijn muren.
  • Goltziusmuseum 1975: De Monumenten van Venlo en Blerick.
  • H.H.H. Uyttenbroeck 1914/1974: De straten van Venlo.
  • H.H.H. Uyttenbroeck 1914/1974: Bijdragen tot de geschiedenis van Venlo.
  • L.J.E Keuller 1843: Geschiedenis van Venloo.
  • Overzicht van literatuur over Venlo in de Koninklijke Bibliotheek (KB).

Noten

  1. Uit de Volkskrant van 7 december 2013: "De Venlose Rekenkamer oordeelde deze week vernietigend over de opgravingen. Stadsarcheoloog en opgravingsleider Maarten Dolmans was 'kritiekloos' en had een 'tunnelvisie'. Hij luisterde niet naar collega-onderzoekers en wilde ten koste van alles bewijzen dat hij een mikwe had gevonden. Daarvoor blijkt zelfs te zijn gemanipuleerd met documentatie." Er bleken plattegronden te zijn aangepast gedurende het onderzoek en de stadarcheoloog had zelf een marmeren muurtje geplaatst. Nog uit het Volkskrant-artikel: Volgens Louwe Kooijmans, emeritus hoogleraar archeologie aan de Universiteit Leiden, "was er van begin af aan scepsis over de vondst"..."Op een gegeven moment zaten gemeente en onderzoekers in een stroomversnelling waar zij niet meer zonder gezichtsverlies uit konden komen. De fictie van de mikwe kon zo overeind blijven."..."Om te achterhalen wat de ruimte oorspronkelijk is geweest, is volgens Kooijmans meer onderzoek nodig. Hij stelt voor te beginnen met het weghalen van een muurtje om te kijken wat daar nog achter zit. Tot die tijd is al wat rest een middeleeuwse kelder die lange tijd is gebruikt als beerput". De gemeenteraad van Venlo is met de politieke kant van deze zaak bezig en is van deskundigen afhankelijk over voor een oordeel over de waarde en de inhoud van het archeologisch onderzoek.
  2. Betekenis: 'Over (aan de andere zijde van) de beek', met een verwijzing naar de beek Cedron bij Jeruzalem. (Het klooster ligt aan de Kleine Beekstraat in het kloosterkwartier.)



APPENDIX

Andere families die langdurig in Venlo woonden of wonen

Römerhuis

Achter de namen staat eerst aangegeven het vermoedelijke jaar van vestiging in Venlo en daarna het jaar van vertrek of van uitsterven, dan wel of de familie nog in Venlo aanwezig is.

De 3 oudste nog aanwezige families in Venlo zijn:

  • Boermans (sinds begin 1500 of eerder)
  • Van Ulft (sinds circa 1550)
  • Mans (sinds eind 1500)

Historische Venlonaren

Zie ook op Genwiki Limburg

Grote Kerkstraat in 1868

Externe links

Persoonlijke instellingen