Van Hoensbroeck

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Familiewapen Van Hoensbroeck.
Hoen van den Broeck, later Van Hoensbroeck, was een Nederlandse adellijke familie in Limburg, stichters en tot in de vorige eeuw bezitters van het Kasteel Hoensbroek. Zij vormt nog de enige Markgrafelijke familie met de titel markies en markiezin (markgraaf/markgravin) die van Nederlandse afkomst is. Deze familie leeft sinds eind 18e eeuw, medio 19e eeuw in Duitsland. Het hoofd van de familie voert de titel Marquis und Graf von und zu Hoensbroech. De overige leden van deze familie voeren de titel van Graf und Gräfin von und zu Hoensbroech. Het stamslot is kasteel Haag in Geldern, in het Nederrijnland, dicht bij Venlo.

Inhoud

Wapen

Het grafelijk stamwapen van de familie toont een zilveren veld, door vier horizontale rode balken in acht banen verdeeld, met daar overheen een zwarte leeuw met gouden kroon en een zwarte tong. In het gemeentelijk wapen van de voormalige gemeente Hoensbroek is de tong van de leeuw ook van goud. Deze goudgekroonde zwarte leeuw kwam uit het oorspronkelijke wapen van de Hoens, het zilveren veld met de vier rode dwarsbalken was het wapen van het huis Haren. Johan Hoen tzo Broeck (ca. 1300) huwde Aleidis van Haren, dochter van Ogier II van Haren, heer van Borgharen. Hun zoon Johan combineerde de beide wapens.[1]

Oorsprong

Hoensbroek heette aanvankelijk Broeck of Broich, hetgeen "moeras" betekent. In de volksmond werd deze plek, ongeveer 5 km. ten noordoosten van Heerlen, aangeduid als Gebrook, of Ingenbrouck. Bij deze lage plek vloeien drie beken samen, waaronder de Geleenbeek. Vermoedelijk ongeveer van 1360 - 1368 bouwde de familie Hoen hier in de beemden een rechthoekige burcht, met de ronde toren (donjon), die nu het oudste deel van het kasteel vormt. In 1388 werd het leengoed afgescheiden van Valkenburg en Heerlen en verheven tot een vrije heerlijkheid met hoge, middele en lage jurisdictie. De bezitter werd ridder Herman Hoen, wiens familie van dan af Hoen van den Broeck, later van Hoensbroeck zou heten en een van de machtigste adellijke families werd in het huidige Nederlands Limburg en de aangrenzende gebieden.

De eerste heer van Hoensbroek was Herman Hoen, wiens vader Nicolaas in 1370 schout van Maastricht werd, maar al in 1371 sneuvelde in de slag bij Baesweiler. Ridder Herman Hoen werd vanwege zijn hulp in de strijd tegen Gulik en Gelre in 1388 door hertogin Johanna van Brabant beloond met de heerlijkheid Hoensbroek. Hij had aan wijlen hertog Wenceslaus en diens echtgenote vele diensten bewezen. De acte van deze schenking bevindt zich in het familiearchief in het kasteel Haag ([5]), Inv. nr. 2405:

26 october 1388
Johanna, hertogin van Luxemburg, Lotharingen, Brabant enz. draagt aan de ridder Herman Hoen van dem Brueke, wegens zijn vele verleende diensten en geleden oorlogsschade, voor zichzelf en zijn nakomelingen het dorp in ghene Broeke in het kerspel Heerlen met de heerlijkheid, justitie en alle daarbij horende rechten, en voorts de haar toekomende rechten van de heerlijkheid Vaesrade, dat valt onder het kapittel van St.-Servaas te Maastricht, in erfelijk leenbezit.
De omvang van de heerlijkheid Hoensbroek wordt hiermee bepaald. Origineel op perkament met zegel van hertogin Johanna van Luxemburg (een leeuw).

Herman Hoen bouwde de oorspronkelijke 13e-eeuwse stercke huyssinge uit tot de grondvorm van de imposante waterburcht die nu Kasteel Hoensbroek heet, en was er de eerste heer van.
Herman Hoen volgde zijn vader op als schout van Maastricht en was lid van de Raad van de Landen van Overmaas. Hij huwde Cecilia van de Waag (de Libra), dochter van de Daniël van de Waag (de Libra), Maastrichts leenman en proost van St. Servaes, en Sibilla N.N. Cecilia was vrouwe van Spaubeek, Vissersweert en (volgens sommigen) Born. Herman Hoen overleed in 1404.

Kerkelijk behoorde Hoensbroek tot 1390 bij de parochie St. Pancratius te Heerlen, maar het had wel een eigen kapel. Door Joannes van Beieren, prins-bisschop van Luik, werd de pas gevormde heerlijkheid Hoensbroek in 1390 verheven tot een eigen parochie.

Drie linies

Hoensbroek werd in 1388 afgescheiden van het gebied der schepenbank Heerlen en geschonken aan Herman Hoen. De heerlijkheid kreeg toen een eigen schepenbank (gerecht) met hoge-, middelbare en lage jurisdictie en Herman Hoen werd de eerste gebiedende heer van het dorp Ingenbroek. Deze nieuwe heerlijkheid werd een Brabants leen, dat voor het leenhof van Brabant te Brussel moest worden verheven. De naam Hoensbroek werd pas later aan de heerlijkheid gegeven, toen de Hoens reeds geruime tijd heer waren. De hoofdtak van de familie sterft rond 1600 uit.

Oostham

De eerste zijtak van de familie ontstond te Oostham, thans gemeente Ham in de Belgische provincie Limburg. Dit was de zetel van de heerlijkheid het Land van Ham. De familie leverde daar vanaf 1557 de heer van dit gebied, maar in 1663 stierf deze tak uit. Het kasteel, voor het eerst vermeld in 1372, werd gesloopt in 1834.

Geulle

Ook de eerste heren van Geulle behoorden tot het geslacht van Hoensbroeck. Wolter, tweede zoon van Godart (Gotthard) van Hoensbroeck (heer van Hoensbroeck van 1576 tot 1584) en Gertruid Scheiffart van Merode was de stichter van de tak van Hoensboeck-Geul. Conrad Ulrich van Hoensbroeck-Geul werd in 1660 de eerste graaf van de daarmee tot graafschap verheven heerlijkheid Geulle. Deze tak stierf in de 18e eeuw uit met graaf Herman Otto van Hoensbroeck-Geul (†1762).

Prins-bisschop van Luik

César Constantin François de Hoensbroech (1724-1792)

Cesar Constantijn Frans graaf van Hoensbroeck (de Hoensbroeck, César Constantin François of Hoensbroech (1724-1792)
geboren op het Kasteel Oost te Breust (bij Eijsden),
zoon van Ulrich Anton graaf van Hoensbroeck en Anna, Gravin van Nesselrode van Elneshoven. Hij was een nazaat van Godart Hoen, Heer van Hoensbroeck, van wie de tak Van Hoensbroeck-Geul stamde, waaruit weer de takken Van Hoensbroeck-Oost (bij Eijsden) en Van Hoensbroeck-Overbach (Rijnland) voortkwamen.

Studeerde te Heidelberg. Kanunnik-scholarch te Aken. Kanselier van Prins Charles d'Oultremont. Prins-bisschop van Luik van 1784 tot 1792. Tijdens zijn bewind waaide de revolutionaire geest uit Frankrijk over naar Luik (1789). Van Hoensbroeck werd door het volk uit zijn paleis te Seraing gevoerd naar het stadhuis van Luik. Hij ontvluchtte naar Duitsland en kon op 13 februari 1791 terugkeren om in zijn waardigheid te worden hersteld.

Hoofdtak Hoensbroek en Haag

Wolter Hoen volgde in 1543 zijn vader (Herman III) op als heer van Hoensbroek. Hij stierf kinderloos in 1576.
Zijn broer Godart, gehuwd met Gertruid Scheiffart van Merode, volgde hem op te Hoensbroek.
Godarts zoon Ulrich Hoen van Hoensbroeck (geb. ca. 1561, overl. 8 sep 1631, Hoensbroek) was er heer van 1584-1631 en zette zo de nieuwe hoofdlijn in, die in 1675 de titel van markies zou verwerven.
Er ontstond al eerder een grafelijke lijn te Geulle. Ulrichs neef Conrad Ulrich te Geulle werd daar in 1660 de eerste graaf van.

Van Heer tot Markies

Ulrich Hoen van Hoensbroeck en Haag werd de stichter van de derde familietak. Zijn eerste huwelijk in 1588 was met Adriana (Joanna) van Boedberg tot Haag (geb. ca. 1565, overl. ca. 1591), waardoor hij het Slot Haag bij Geldern verwierf, dat later de hoofdzetel van de familie zou worden. Ulrich verwierf ook het erfelijk ambt van Maarschalk van het Hertogdom Gelre via zijn schoonvader.
Hun zoon Adriaan (geboren ca. 1590, overl. 17 feb 1675 Aken, D) was een man van macht en rijkdom. Hij volgde zijn vader op in 1631 en werd in 1635 verheven tot Rijksbaron. Hij huwde op 3 jun 1627 Anna Elisabeth von Loë-Wissen (geb. ca. 1605, overl. 30 mrt 1632, Geldern, D).
Arnold Adriaan van Hoensbroeck (geb. 15 sep 1631, Geldern, overl. 27 okt 1694, Hoensbroek), zoon van baron Adriaan, huwde (1) Catharina van Bocholtz, en op 24 dec 1660 (2) Dorothea Henrietta van Cottereau Westmal. Arnold Adriaan werd in 1675 door de Spaanse koning Karel II tot Markies (markgraaf) met primogenituur verheven om zijn en zijn voorouders' vele verdiensten, ook als diplomaat. De heerlijkheid Hoensbroek werd daarmee echter geen markiezaat. Deze eerste markies Van Hoensbroeck, erfmaarschalk van het Hertogdom Gelre en het Graafschap Zutphen, resideerde meestal op Kasteel Haag bij Geldern. Het Overkwartier van Gelre vormde de kern van het hertogdom en behoorde tot de Zuidelijke Nederlanden. De Koning van Spanje was de wettige souverein.

Zijn zoon Johan Willem Adriaan, Markies en Rijksbaron van Hoensbroeck (geb. 30 mei 1666, Geldern , overl. 20 Jun 1735, Geldern) was evenals zijn vader op het diplomatieke toneel werkzaam. Hij werd in 1732 opgenomen in de Neder-Oostenrijkse hoge adel. Hij huwde Elisabeth Henriette gravin van Schellardt Obbendorf tot Iversheim. [2]

Willem Adriaan werd in 1738 opgevolgd door zijn zoon Frans Arnold van Hoensbroeck, die al jong (in 1713) een diplomatiek zwaargewicht was en voor Oostenrijk de zaakgelastigde werd bij de Vrede van Utrecht. Bij deze verdrag verkreeg het Koninkrijk Pruisen een belangrijk deel van het Overkwartier van Gelre. De familie van Hoensbroeck werd daarmee nominaal half Pruisisch. Frans Arnold verkreeg kasteel Hoensbroek rond 1725, verkreeg de titel van graaf in 1733 en werd in 1738 heer van kasteel Hillenraad, nadat zijn vader Willem Adriaan al in 1733 met dit goed was beleend. Kasteel Hoensbroek bleef echter zijn stamslot en hoofdverblijf.

Frans Arnolds zoon Lotharius Frans Hyacinthus Victor werd in 1740 beleend met de heerlijkheid Ruinen. Na de dood van van zijn vader in 1759 erfde hij al diens goederen en ambten. Hij huwde in 1762 Sophia Charlotte Maria Catharina Walburgis gravin van den Leyen en tot Hohen Geroldsegg. Tot 1776 bleef kasteel Hoensbroek het hoofdverblijf van de familie, maar daarna werd het nog slechts incidenteel als verblijf gebruikt. Lothar Frans zelf verbleef er als hij niet op reis was en was in 1796 de laatste heer van Hoensbroek die daar stierf.

Van Hoensbroeck te Swalmen

Alliantiewapen Van Hoensbroeck-Von Schönborn boven de ingang van de Oranjerie van kasteel Hillenraad te Swalmen.
  • Frans Arnold Adriaan van Hoensbroeck, overl. 1759, in 1720 getrouwd met Anna Catharina Sophia gravin van Schönborn, die hem 24 kinderen schonk, van wie er 23 met hun doopnaam bekend zijn. Alliantiewapen boven de ingang van de oranjerie in de grote kasteeltuin van Kasteel Hillenraad te Swalmen. Frans Arnold had zowel kasteel Hillenraad als kasteel Bleijenbeek geerfd van zijn kinderloos gebleven tante Maria Catharina.

Onder hun zoon Frans Lothar Graaf van Hoensbroeck werd Hillenraad opnieuw verbouwd.
Diens broer Philip Damiaan Rijksgraaf van en tot Hoensbroeck (1775-1793, ten tijde van Maria Theresia), was de dertiende en voorlaatste bisschop van het eerste bisdom Roermond (1559-1801). Geboren te Roermond, resideerde op Kasteel Hillenraad. Bisschop Philip Damiaan was een spraakmakend persoon, groot levensgenieter en muziekminnaar.

De familie Van Hoensbroeck zou enkele generaties eigenaar blijven van het kasteel. De laatste van hen was Franz Eugen rijksgraaf von und zu Hoensbroech. Zijn huwelijk met Hermengilde gravin Wolff Metternich bleef kinderloos. In 1909 droeg graaf Franz Eugen het kasteel met graanmolen, lusttuin en verdere toebehoren over aan Herman Jozef graaf Wolff Metternich en zijn vrouw Amélie gravin von Schall Riaucour.

Het huis Van Hoensbroeck wijkt uit

De stamhouder-zoon van Lothar Frans, Graaf Clemens Wenceslas Johan Baptist Markies van en tot Hoensbroeck, heer van Hoensbroek, Haag, Bleijenbeek, Hillenraad, Grubbenvorst enz., werd geboren in 1776 te Geldern en overleed in 1844 te Keulen.
Deze Van Hoensbroeck zou het kasteel Hoensbroek de facto opgeven, vermoedelijk mede wegens de dreiging van de Franse republikeinen na 1790. Hij nam als vele andere edelen vanaf 1795 de wijk naar de niet bezette rechteroever van de Rijn. Na de Napoleontische periode is het geslacht niet meer naar zijn Limburgse basis teruggekeerd. Door de staatkundige ontwikkelingen komen zijn Rijnlandse bezittingen in 1815 definitief aan Pruisen en zo wordt ook de familie vanaf 1815 eeuw Pruisisch en later Duits. Hoensbroek is dan als stamslot geen optie meer en wordt uiteindelijk, een eeuw later, ook als bezit definitief opgegeven.

Graaf Clemens huwde
1) Alexandrine Maximiliane barones von Loë-Wissen;
2) Eugenie gravin van Schaesberg.

Stamhouder uit 1):
Frans Egon Markies van en tot Hoensbroeck, heer van Hoensbroek, Haag en Bleijenbeek, geb. 1805, huwde (vermoedelijk in 1840) Mathilde barones von Loë-Wissen, geb. 1821;
Behalve vier dochters kregen zij zeven zoons:

  1. Lothar
  2. Friedrich
  3. Adrian
  4. Wilhelm
  5. Paul
  6. Emanuel
  7. Clemens

Stamhouder uit 2):
Carl graaf von Hoensbroech, geboren 1810, heer van Türnich, Schackum, Hillenraet.

Kasteel Bleijenbeek

De familie Schenck van Nydeggen heeft dit landgoed te Afferden circa drie eeuwen in bezit gehouden. Toen Arnold Schenck van Nydeggen in het begin van de achttiende eeuw overleed, kwam het kasteel in bezit van het geslacht Van Hoensbroeck. Tot de Franse tijd bezat deze familie zowel het slot als de vrijheerlijkheid Afferden en Heukelom met de daarbij behorende rechten. Als laatste van deze familie heeft Franz Egon, rijksgraaf van Hoensbroeck (1805–1874) kasteel Bleijenbeek bewoond, namelijk van 1832 tot 1845. Franz Egon was een oomzegger van bisschop Philips Damiaan. Na het overlijden van zijn vader nam Franz Egon met zijn vrouw Mathilde barones von Loë-Wissen zijn intrek in het stamslot Haag. Hij bood later zeer ruimhartig onderdak aan de Jezuieten toen die in het Pruisisch gebied tijdens de Kulturkampf (1872) de wijk moesten nemen. [3]

Kasteel Hoensbroek

Bijna zes eeuwen was het kasteel het stamslot van de ridders Hoen van den Broeck, de Rijksbaron Hoen van Hoensbroeck, en de Rijksgraven en markiezen Van en tot Hoensbroeck. De familie Van Hoensbroeck verliet het kasteel eind 18e eeuw met Bisschop Philip Damiaan, op de vlucht voor de Franse veroveraars, waarna voor het oude stamslot een periode van verval intrad. Graaf Franz Lothar verkocht het in 1927 aan de huidige eigenaars, de stichting 'Ave Rex Christe', waarmee het kasteel na zes eeuwen toch nog van eigenaar wisselde. Tussen 1930 en 1940 werd het grondig gerestaureerd. In en kort na de oorlog werden het gebouw en de bijgebouwen voor diverse doeleinden gebruikt. Thans vormt het een populaire maar nog wel educatieve museumbestemming, gehuurd door de gemeente. De kleinzoon van de laatste grafelijke bewoner van Kasteel Hoensbroek bewoont thans een landgoed te Breberen, gemeente Gangelt, zustergemeente van de gemeente Selfkant.

Nederlandse adel

Clemens W.Ph.J.J.B.H.R. Rijksgraaf van en tot Hoensbroeck (1776-1844) werd bij Koninklijk Besluit in 1816 benoemd in de Ridderschap van Limburg, met homologatie van de titel van markies. Deze benoeming werd bij KB van 1820 weer ingetrokken omdat hij lid was van de Staten van Pruisen. Diens zoon, Frans Egon (1805-1874) werd bij KB in 1842 benoemd in de Ridderschap van het hertogdom Limburg, met homologatie van de titel van graaf. Diens nakomelingen behoren dientengevolge tot de Nederlandse adel.[1] Aangezien de familie eigenlijk sindsdien niet meer haar primaire woonplaats in Nederland had, is het nageslacht niet meer opgenomen in het Nederland's Adelsboek. Omdat het tevens is erkend te behoren tot de Pruisische adel én het nageslacht voornamelijk gevestigd is in Duitsland, wordt het wel opgenomen in het Genealogisches Handbuch des Adels.[2]

Huidige hoofdtak

De huidige hoofdtak leeft nog voort in de Marquisen und Grafen von und zu Hoensbroech, van wie het Kasteel Haag bij Geldern het stamslot is. In historische termen kunnen we zeggen dat de familie Van Hoensbroeck het oude hertogdom Limburg heeft verlaten en zich heeft gevestigd in het naburige land van Gelre en Gulik.

Thans zijn in het Gulikse nog het Huis Altenberg, Kasteel Türnich en Kasteel Kellenberg in bezit van de familie. Kasteel Haag wordt door Niklas Reichsgraf von und zu Hoensbroech bewoond. De titel 'Markies' mag alleen gedragen worden door Rüdiger Reichsgraf und Marquis von und zu Hoensbroech, die een wijngoed houdt in de Kraichgau.

Paul graaf von Hoensbroech

Paul graaf von Hoensbroech (1852 op het Slot Haag - 1923 Berlijn) trad in in de orde der Jezuiëten (1878), maar verliet die weer in 1892. Vervolgens ging hij over tot het protestantisme (1895) en ontwikkelde zich tot een verbitterd tegenstander van zijn vroegere orde. Hij schreef onder meer Der Kirchenstaat (1889), en, tegen de katholieke kerk: Das Papsttum in seiner sozial-kulturellen Wirksamkeit, 2 delen, 1900-1902).

Literatuur
  • Robert von Nostitz-Rieneck: Graf Paul von Hoensbroechs Flucht aus Kirche und Orden: was er verließ und verlor, (1913)
  • Johannes Rump: Paul Reichsgraf von Hoensbroech als Gefolgsmann der Hohenzollern
  • Wolfgang Löhr in Biographisches Lexikon des KV, Band 1 (1991), pp. 50 e.v., ISBN 3-923621-55-8

Zie ook

Noten

  1. J.B. Rietstap, Wapenboek van den Nederlandschen Adel, Groningen 1883, dl. 1, p. 181.
  2. Van deze Gelderse parentage volgt hier een Overijsselse vermelding (met verschreven naam 'Van Hoensbeek'), uit [1]:
    • 1704 jan 18 (OH fol 106)
    Willem Adriaan markies van en tot Hoensbeek, heer van het Hoog- en Nederambt Gelder, erfmaarschalk van het vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, mede namens zijn vrouw Elisabeth Henriette markiezin van en tot Hoensbeek, geboren gravin van Schellard, als oudste dochter en erfgenaam van haar overleden vader Frans Caspar Adriaan graaf van Schellard tot Obbendorf, heer van Ruinen, en van haar moeder, de gravin van Schellard, erfdochter van de heerlijkheid Ruinen en Bellinkhaven. Hulder Bernard Kies, landschrijver van Drente.
    Bronnen: [2] en[3] (voorpagina van een aan hem opgedragen boek)
  3. Bleijenbeek heeft zo gedurende een kwart eeuw tachtig Duitse Jezuieten geherbergd, en vervolgens nog eens tien jaar achttien Franse Ursulinen, toen die evenzeer verbannen waren, zie [4]

Referenties

Nederland's Adelsboek 85 (1995), p. 186-199.
   ↑ GHdA 112 (1997), p. 163-187.

Literatuur

  • Venne, J.M. van de, J. Th. H. de Win en P.A.H. Peeters, Geschiedenis van Hoensbroek, Hoensbroek: Gemeentebestuur van Hoensbroek, 1967.

Auteur en bron van dit artikel

  • A.J. Welschen, Het geslacht Van Hoensbroeck. Genealogisch-historische dataverzameling, 2004.

Externe links

Persoonlijke instellingen