Tiende

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Een tiende (vaak ook kortweg tiend genoemd) is een vorm van kerkelijke belasting waarbij men een tiende deel van de opbrengst diende af te dragen. Het recht om tienden te heffen wordt tiendrecht genoemd, degenen die de belasting moesten afdragen waren tiendplichtig. Voor een goed begrip van veel oude akten kan enige kennis van het tiendrecht ook voor genealogen zeker nuttig zijn. Daarnaast bevatten archiefstukken over tienden soms waardevolle genealogische gegevens.

Sociaal-kerkelijke belasting

Belasting werd niet alleen geïnd door wereldlijke overheden. Ook de kerkelijke overheden hadden hun eigen belastingen. De bekendste daarvan is de tiende. Een tiende gedeelte van vooral granen (grote tiende) en bepaalde jonge dieren (smalle tiende) moest door de tiendplichtigen aan de kerk worden afgestaan. Deze inkomsten waren bedoeld om de pastoor en kerk te onderhouden en de armen te ondersteunen. Naast gewone tienden kenden sommige plaatsen de novale tiende, die moest worden afgedragen van sommige nieuw ontgonnen landerijen. Deze novale tienden ontstonden zelfs nog in de tweede helft van de 18e eeuw.

Bijbelse oorsprong

Al in de bijbel wordt gesproken over het afdragen van een gedeelte van de oogst aan de Joodse Tempel. In Europa werd de tiende ingevoerd in de tijd van Karel de Grote. Net als in de bijbelse tijd was deze tiende bedoeld als een sociale belasting, die moest dienen ter financiering van sociale werken zoals de armenzorg, het levensonderhoud van parochiepriesters en de instandhouding van kerkgebouwen. De regel was dat iedereen een tiende deel van zijn oogst en jongvee zou afdragen. In gebieden waar de tiende pas in latere eeuwen werden ingevoerd, kwam soms ook een deel toe aan de bisschop c.q. het bisdom.

Van sociaal-kerkelijk recht naar wereldlijke inkomsten

Hoewel het tiendrecht in principe een kerkelijke en sociale belasting was, kwam het op sommige plaatsen toch in het bezit van leken. Dit gebeurde vaak al zo vroeg in de geschiedenis dat geschreven bronnen voor de meeste plaatsen ontbreken. Op tal van plaatsen waren de tiendrechten al in de 13e en 14e eeuw in handen van seculiere (wereldlijke) personen. Slechts zelden is te achterhalen hoe de overdracht van kerk naar privépersoon heeft plaatsgevonden. Feit is, dat veel tienden al in de late middeleeuwen in wereldlijke handen waren en net als ieder andere bron van inkomsten werd verhandeld en dus van eigenaar kon veranderen. We zien de tiendrechten daarna zowel als vrij goed (allodium) alsook deel van leengoederen. Ook komt het vaak voor dat de rechten op één enkele tienden verdeeld zijn over meerdere partijen, waardoor duidelijke afspraken moesten worden gemaakt over de verdeling. Degene die zich eigenaar kon noemen van een tiendrecht, wordt vaak aangeduid als tiendheer of tiendenaar. Met name in de 18e eeuw zien we steeds vaker dat de tiendenaren de rol innemen van de geërfden. De grootste tiendenaren behoorden meestal ook tot de geërfden en waren daarmee verplicht om ten behoeve van de gemeenschap zorg te dragen voor de aanwezigheid van een fokstier en -hengst (Swalmen, 1732).
Landerijen waarover tienden moesten worden afgedragen, noemt met ook wel tiendgevend. Niet iedereen was echter tiendplichtig. De tiendplicht rustte niet op een persoon als zodanig maar op een eigenaar van een tiendplichtig goed. De rechten waren dus verbonden aan het goed en bij een verandering van eigenaar bleef het recht verbonden aan het goed. Vandaar dat in oude akten vaak nadrukkelijk werd aangegeven als een stuk land tiendvrij was. Hiermee wist de nieuwe eigenaar dat hij niet jaarlijks tienden hoefde af te dragen van zijn opbrengst.

Wijze van inning

Tiendpaal en tiendboom te Beesel, 1781.

De tiendheer ging zeker niet altijd persoonlijk de akkers af om zijn tienden te innen. De inning gebeurde gewoonlijk in natura, waarbij men letterlijk een tiende deel van een oogst op de velden ging ophalen. Dit gebeurde met een tiendkar die de akkers langs reed of de bijeengebrachte tienden ophaalde bij een tiendpaal. De tiendheffer of tiendbeloper (Beesel, 1606) speelde een belangrijke rol bij de inning. Hij was degene die alle tiendplichtigen] afging om de tienden in ontvangst te nemen.
Al in de 17e eeuw werd het tiendrecht dikwijls verpacht. Dit gebeurde gewoonlijk met een openbare verpachting. De hoogste bieder werd tiendheffer voor een bepaalde periode (gewoonlijk een jaar) en droeg, in ruil voor de werkelijke inkomsten, een afgesproken pachtsom af aan degene die uiteindelijk het tiendrecht bezat. Met het toenemen van de geld-economie werd de tiende steeds vaker voldaan in klinkende munt.
De tienden werden gewoonlijk opgeslagen in een tiendschuur. Omdat zo'n tiendschuur meer graan moest kunnen bevatten dan bij slechts één pachter gebruikelijk was, betreft het vaak relatief grote schuren. De muren van deze schuren zijn soms voorzien van extra steunberen om voldoende weerstand te kunnen bieden aan de druk van het opgeslagen graan. Imposante tiendschuren zien we o.a. bij kloosters en abdijen. Indien de tiende moest worden verdeeld tussen drie of vier partijen (bijvoorbeeld armen, kerk, pastoor en eventueel bisdom) kon ieder van de partijen zijn deel apart ophalen. In Limburg zien we daarbij o.a. de termen garf of garve en schoof als eenheid waarin de veldvruchten moesten worden aangeboden. Bij de verdeling spreekt men dan over de "derde schoof" of "vierde schoof". Overigens zien we zo'n verdeling ook tussen wereldlijke eigenaren (Beesel, 1606).

Een niet-gedateerde akte uit Beesel (vermoedelijk midden 16e eeuw) meldt:
"Van die smaele thienden.

  • Om laemer, baggen, bijen etc. te verthienen is het nodich te weten het getal der selver.
  • Item so wanneer dat getall naerder is bij thien, als bij vijff, dan kompt den thiendenaer een geheel deel derselver thienden, en so wanneer het getall naerder is bij 5 als bij 10, dan kompt den thiendenaer maer alleenlick een half deel derselver thienden.
  • Item als den thiendenaer een geheel deel valt, dan heft hij den keur uyt allen, uytgenomen vier, ende kiest uyt een half deel, uytgenomen twee."

Door deze afspraken was het dus nodig om tiendlijsten of tiendregisters te maken waarop niet alleen aantal werden vermeld maar ook degenen die tiendplichtig waren. Deze lijsten bevatten soms ook genealogische gegevens.
Voor de vaststelling van de tienden werd een systeem van afronding gehanteerd.
Om te voorkomen dat de tiendenaar steeds de mooiste delen van oogst of jongvee opeiste, mocht de tiendplichtige - afhankelijk van de af te dragen tiende - een gedeelte opzij zetten waaruit niet mocht worden gekozen.

Soorten tiende

  • De grote tiende of korentiende (vaak ook: grote korentiende) is de belangrijkste tiende. Ze werd geheven op granen zoals rogge, gerst en haver. Ook boekweit werd tot de granen gerekend.
  • De kleine of smalle tiende werd geheven over o.a. vlas, biggen, lammeren, hoenders en bijen.

Andere benamingen die we tegenkomen in oude akten:

  • Bijentiende: de tiende op bijen (Beesel, 1724)
  • Bloedtiende: hierbij werd een gedeelte van bijvoorbeeld jongvee afgedragen. Men noemt deze tiende ook wel "krijtende tiende".
  • Ganzentiende: de tiende op ganzen (Beesel, 1724)
  • Hooitiende (Beesel, 1724)
  • Hoptiende
  • Krijtende tiende: zie bloedtiende
  • Lammertiende: de tiende op lammeren (Beesel, 1724)
  • Novale tienden: tiende op nieuwe gewassen of nieuw ontgonnen land (Beesel, 1723)
  • Reubentiende: de tiende op reuben (Tegelen, 1402)
  • Vlastiende: de tiende op vlas maakte deel uit van de smalle tiende (Beesel, 1621)
  • Vruchttiende: de tiende op gewassen (veldvruchten) zoals erwten (Beesel, 1606) en spurriezaad (Beesel, 1621)

Afschaffing in Nederland

Met de inwerkingtreding op 1 januari 1909 van de Tiendwet 1907 verviel in Nederland de tiendplichtigheid. De gerechtigden van de tiendheffing werden door de regering schadeloos gesteld; de tiendplichtingen werden door de regering belast met een dertigjarige rente op hun grond, de tiendrente die moest worden afgedragen aan de Staat.

Archiefbronnen en genealogisch onderzoek

Vanuit genealogisch oogpunt zijn vooral de documenten over de inning van de tienden interessant. Deze bevatten immers als eerste de namen van degenen die tiendplichtig waren. Voor deze namen kunnen we als eerste terecht in een zogenaamde tiendboek. Daarnaast is van tientallen plaatsen een zogenaamde tiendkaart bewaard gebleven, waarop van ieder perceel wordt vermeld wie de eigenaar was. Indien voldoende bronnen over de inning bewaard zijn, kan men genealogische verbanden reconstrueren tussen degenen die de tienden van een bepaald perceel moesten afdragen.
Ook familieverbanden tussen opeenvolgende tiendheren kunnen soms worden achterhaald. Daarmee kan het tiendrecht, net als ieder ander overdraagbaar of overerfbaar goed of recht, genealogische aanwijzingen bevatten.

Persoonlijke instellingen