Stevensweert

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Stevensweert

Stephanowerta ab Hispanis munita 1633

Geschiedenis

Van de oudste bewoners deze gewesten is ons ondanks der vele archeologische vondsten in Limburg nog te weinig bekend om er een geschiedenis van dit volk uit op te bouwen. Wat wij er van weten is, dat de bewoners van de Maasvallei de Kelten waren. Hun primitieve ontwikkeling blijkt uit de in onze oude Limburgse gronden gevonden, stenen, en metalen mesjes,priemen,pijlpunten en andere voorwerpen, welke ons leren dat de Kelten reeds het erts tot metaal wisten te verwerken en dat ze leefden van landbouw en veeteelt.

Hoewel deze stenen tijdgenoten van onze oer-vaderen met meer duidelijkheid spreken tot onze grote Limburgse archeologen, het is hier de plaats niet om er verder over uit te wijden.

In het begin onzer jaartelling woonden echter in of althans bij de Maasvallei ook reeds Germanen, zodat we hieruit de conclusie mogen trekken dat onze Limburgse gewesten reeds toen grensgebied waren, een bijzonderheid die ons vele hachelijke tijden heeft bezorgd zoals we in het verloop van dit overzicht herhaaldelijk tot in onze jongste geschiedenis kunnen vaststellen.

Meer positieve gegevens over onze "voorvaderen" zijn ons bekend uit de periode der Romeinse overheersing. In zijn algemeen bekend werk "De Bello Gallico" geeft de Romeinse veldheer Julius Caesar een uitgebreide geschiedenis van zijn Gallische veldtocht. De Eburonen, een grote Germanen-stam, bewoonden toen het gebied tussen Rijn en Schelde. Caesar schildert zijn heldhaftige tegenstanders als vrij ruwe barbaren. Hun aanvoerder was Ambiorix een dapper maar vooral geslepen man, die het Caesar met zijn legioenen in onze landouwen niet gemakkelijk maakte, tegen wien hij herhaaldelijk te velde moest trekken, die zich met zijn krijgers schijnbaar onderwierp maar telkens listig hun overheersers in de val trachten te lokken, heel de Romeinse bezetting (+ 6000 man) van Atuatuca (Tongeren ?) in de pan hakten en bij Charleroi een Romeins legioen omsingelden.

In het jaar 53 voor Christus echter rekende Julias Caesar op bloedige wijze af met deze opstandige Germanen-stam. Met 50.000 man wist hij hen te overmeesteren. Twee jaren lang trokken zijn legioenen moordend rond tot dat, zo zegt men,, de Eburonen "uitgeroeid" waren. Ambiorix wist te ontkomen, doch de Germanen-stammen ten Westen van de Rijn werden onderworpen en ruim vier eeuwen lang bleef "Limburg" Romeins.

De nieuwe heersers waren goede organisatoren. Hun eerste zorg was het bouwen van versterkte stellingen en het aanleggen van heirbanen* waardoor het hun mogelijk werd hun legioenen vlug en veilig te verplaatsen.

Onder Keizer Augustus maakten onze landstreken deel uit van de provincie "Germania Inferior (Neder Germanië) met Keulen (Colonia Agrippina) als hoofdplaats. Een andere nederzetting der Romeinen was de door de steun der Tungri bezette omgeving van het sterke Atuatica Tongrorum (Tongeren). Een grote heirbaan verbond Keulen met Tongeren langs Maastricht (Trajectum ad [[Mosam) en Heerlen (Coriovallum). Stevensweert lag niet ver van de baan die van Tongeren, over Maaseijk, Ittervoort en]] Wessem naar Nijmegen.

Tongeren bleef gedurende vijf eeuwen de voornaamste en sterkste stad in onze Gallo- Romeinse omgeving. Doch hoe stevig ook gegrondvest ook de Romeinse heerschappij ging te gronde. Reeds ten tijde van St. Servaas, de eerste apostel onzer streken, die in 304 stierf waren de volkeren van Europa in beroering; de grote volksverhuizing zou niet alleen het ontkiemende Christendom in onze gewesten ontwortelen, doch ook de Romeinse beschaving onder de voet lopen en allengs doen verdwijnen. Franken Sueven, Vandalen,Allemannen, en Saksers drongen op uit het Oosten. In 437 nog waren de voorposten der Romeinse beschaving, de castella te Tongeren Maastricht en Heerlen door de Romeinen bezet, maar reeds hadden de Salische en Ripuarische Franken een eenheid gevonden en kozen in 481 hun eerste gezamenlijke koning.

In 496 bij de beroemde slag van Tolbiac (bij Düren) werd de Franken-Koning Clovis met heel zijn leger christen. Men neemt dit feit aan als het grote keerpunt in de kerstening* der Frankische landen, waarvan de kern bij Kamerijk en Doornik lag en hetwelk zich over Noord-Gallie uitstrekte tot aan de oevers van Rijn en Waal.

In al deze eeuwen is van Stevensweert nog niets te ontdekken, ook niet uit de roemrijke periode toen onze gewesten het middelpunt uitmaakten van het grote Frankenrijk van Karel den Groten, die in 800 tot Keizer werd gekroond.

Het is hier de plaats om, een ingewortelde misvatting uit te roeien die reeds jaren over Stevensweert heeft bestaan,

In de " Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg " 1934, pagina 203 lezen wij " Tegen het jaar 802 beval Karel de Grote een algemene kerkvisitatie in zijn Rijk. De koninklijke gezanten maakten een inventaris op van hetgeen zij vonden op het eiland "Staphinsere": n.l. een kerk toegewijd aan St. Michael en andere goederen" welke zouden duiden op het bestaan aldaar van een abdij waartoe ook de kerk zou behoord hebben. De samensteller van het hierboven bedoelde artikel is hiervoor te rade gegaan bij B. on. Sloet- Oorkondenboek der Graafschappen Gelre en Zutphen, deel I, pagina 29 voetnoot, waarin de mogelijkheid wordt uitgesproken, dat Staphinsere Stephensweerd zou kunnen zijn.

Wij hebben ons de moeite getroost om deze reeds meer omstreden questie nogmaals tot aan de bron na te sporen, en hebben geraadpleegd "Monuments Germanise Historica, Hannover 1883, waarin Deel I, pag.250-252 de bovenbedoelde inventaris over de kerkelijke goederen in extenso is opgenomen en waar alles wordt opgenoemd wat zich te Staphinsere (Staphinseie) bevond. Aan het einde van deze "cupitularia" vat de "inventarisator" echter nogmaals alles samen wat er dus in totaal "in het bisdom Augsburg" te vinden is aan kerkelijke goederen. En hiermee heeft voor ons de mening als zou Staphinsere Stevensweert zijn, voor goed afgedaan. Met deze naam is hoogstwaarschijnlijk Staffeisee in het bisdom Augsburg bedoeld.

Doch al lag er dan geen abdij, we mogen toch veilig aannemen dat onze gemeente-grond, gelegen tussen de armen van de Maas die toen reeds als "handels-transportband" gebruikt werd bij gebrek aan goede wegen, zeker bewoond is geweest.

Ook de "Stevensweertenaren" hebben op zekere dag onder de zwakke opvolgers van Karel de Grote vreemde krijgslieden op zonderlinge schepen de Maas zien opvaren en misschien de gruwelen van de invallende Noormannen ondergaan, die zich in het nabije Asclom (Asselt bij Roermond) op een Vrankische burcht hadden genesteld. Precies 400 jaar nadat de Franken hun eerste Koning kozen in 881 kwamen deze plunderzieke scharen het in twisten en veten verdeelde Rijk van Charlemagne binnenvallen. Dit Rijk dat zich uitstrekte van de Middellandse Zee tot de Noordzee en hetwelk deze grote staatsman en veldheer door zijn genie had weten te beheersen, was uiteen gevallen. Na herhaalde delingen en twisten kwam het Verdrag van Verdun* tot stand. De drie kleinzonen van den Groten Karel kregen, de een Austrië (Duitsland) de tweede Neustrië (Frankrijk) en de jongste Lotharius kreeg het middenpart naar hem "Lotheringen" genoemd.

Weer was "Limburg" grensgebied geworden. Weer was de Maas scheidingslijn, nu tussen Austrië en Lotheringen. Het zwakke middenpart werd al direct een twistappel tussen twee machtige buurstaten. Het werd herhaaldelijk veroverd en heroverd, ingepalmd en teruggegeven, verdeeld en versplinterd. De nakomelingen van Lotharius moesten met hun leenmannen* hardnekkig hun grenzen verdedigen. En zo zou het blijven, Limburg bleef randgebied, de Maasvallei werd het doortochtgebied voor invallende legerbenden. Vestingen ontstonden langs de randen van het omstreden gebied en langs de oevers van de Maas ontstonden sterke steden. Dit laatste verschijnsel zou er voor zorgen dat ook de naam Stevensweert wereldkundig werd.

De aanhoudende twisten en oorlogen tussen de grote heersers en de kleinere vorsten in onze streken en de morele steun die deze machthebbers in hun strijd trachtten de verkrijgen van de geestelijke machten, pausen en bisschoppen waren de grondoorzaak van het ontstaan van het leenstelsel.* Grotere of kleinere gebieden werden door de leenheren,Keizers, Koningen, Hertogen etc. in leen gegeven aan hun leenmannen, om zodoende deze hertogen, graven en minder invloedrijke ridders met hun mannen als krijgers voor zich te binden, terwijl de bisdommen, abdijen en kloosters grondgebied in beheer en bezit werd gegeven om daardoor de morele steun van de Kerk aan hun kant te krijgen.

Zo ontstonden de grotere en kleinere gebieden die de bakermat vormen voor de later zeer onafhankelijk bestuurde hertogdommen, graafschappen, heerlijkheden, bisdommen, proosdijen* en stiften* in ons gewest. Zo ontstond ook de Heerlijkheid* Stevensweert, die oorspronkelijk tot het kerspel* van Echt behoorde. Het kapittel* van St. Servaas te Maastricht, dat in Echt talrijke goederen bezet was ook in het bezit der tienden* van Stevensweert tengevolge van een schenking van Gerbergs, huisvrouw van Giselbert, hertog van Lotheringen, die in 939 overleed.

Deze Heerlijkheid Weerde, Werde, Weerd, Wierde, later ter onderscheiding van andere gelijknamige plaatsen naar den patroon van haar kerk Stevensweert of beter "Sint Stephensweert" genaamd is als zodanig vergaan in de vloedgolf van de Franse revolutie. Opmerkelijk is wel dat zeer vele goederen op het "eilandje" in de Maas gelegen, toebehoorden aan de Munsterabdij te Roermond. In 1244 geeft het kapittel van St. Servaas te Maastricht de tienden van Stevensweert in erfpacht aan de abdij van O.L. Vrouw te Roermond. Het charterboek* der Munsterabdij te Roermond geeft hierover menige inlichting. De Heerlijkheid Stevensweert, doorgaans verbonden met Ohé en Laak, is een zeer oude, waarvan de oudste Heren welke met zekerheid bekend zijn tot de familie van Petershem bij Maastricht behoorden. Door huwelijk kwamen de heerlijke rechten omstreeks het einde der 14e eeuw in het bezit van het geslacht Cuylenburg tot Boxmeer- Adelijke geslachten als van Egmond en van den Bergh, Limburg-Bronkhorst, van Hempesch en van Riedezel tot Eysenbach waren achtereenvolgens de gebieders tussen de Oude en de Nieuwe Maas. Ofschoon ons plaatsje volgens de "Lijst der Appellen" naar het Rijksgerecht een vrije Rijksheerlijkheid was, wordt Stevensweert toch gewoonlijk als onderdeel beschouwd van de ammanie* (ambt) Montfort en als zodanig heeft Stevensweert in grote lijnen de geschiedenis gevolgd van het Overkwartier van Gelre. De Heren, later Hertogen van Gelre, gesproten uit het geslacht van Wassenbergs hadden hun stamslot te Gelre. Reeds in 1277 viel aan Graaf Reinald I bij overdracht door zijn oom Hendrik, Bisschop van Luik, de Heerlijkheid Montfort ten deel. Dit was het begin der Gelderse heerschappij in de latere ammanie Montfort. In 1327 verpandde Reinald II het land van Montfort aan Graaf Gerhard van Gulik. Was Stevensweert een vrije Rijksheerlijkheid, zoals we hierboven reeds veronderstelden en wat de plaats zelf altijd gepretendeerd heeft te zijn, dan hebben de jaren 1277 en 1327 niet veel meer te betekenen dan alleen dit, de onmiddellijke omgeving van het plaatsje werd Gelders en daarna Guliks. Hoe het ook zij ook Stevensweert, alhoewel nog geen vesting, zoals het een eeuw later zou worden, het plaatsje zal wel niet verschoond zijn gebleven van de strooptochten van de benden van Maarten van Rossum, de veldheer van Karel van Gelder en van de legers van Karel V. tusen 1511 en 1543. Op 4 september van het laatste jaar kwam het verdrag van Venlo tot stand waardoor het nog ontbrekende der 17 Nederlandse gewesten (Gelre) onder de heerschappij der Habsburgers kwam. Op 26 Juni 1548 werd ook Gelre bij de Bourgondische Kreits* gevoegd, waartoe nu geheel Zuid en Noord-Nederland behoorde. Zo kwam Stevensweert onder de heerschappij der Habsburgers en onder Philips II onder de Spaanse monarchie.* Reeds toen wierp de 80-jarige oorlog* die 20 jaar later als godsdienst-oorlog zou beginnen zijn zwarte schaduw vooruit over de omstreken van Stevensweert. Wel was Karel van Gelder evenals zijn tegenstander Karel V een heftige tegenstander der Hervorming doch het is bekend dat in de onmiddellijke nabijheid, over de Gelders-Gelikse grens, in het Gulikse in Grevenbicht, Obbicht en omstreken de Hervorming reeds vaste voet had gekregen. Zo kon het gebeuren dat reeds in de eerste "dagen" van de 80 -jarige- oorlog, in 1568, tweemaal onze onmiddellijke omgeving het toneel werd van de invallen van de "Staatse troepen".

Op 25 April stiet Villars met zijn bende te Dalem bij Roermond op een legertje onder Sancho d'Avilla, een Spaanse bevelhebber die de Maas bewaakte. Het eerste bloed voor de Nederlandse vrijheid vloeide in onze omgeving. In de nacht van 6 op 7 October van hetzelfde jaar trok Prins Willem van Oranje zelf door het land en op het grondgebied van zijn vriend Karel van Bronkhorst-Batenburg, Heer van Obbicht stak hij met een leger van 13-14000 man de Maas over. Hoe het met Stevensweert gesteld was is gedeeltelijk af te leiden uit het feit dat geslachten als Egmond en van den Bergh (gehuwd met een zuster van Willem de Zwijger) de Heren waren van de Heerlijkheid Stevensweert. Hoe het ook zij, op 3 februari 1573 scheidden de 3 noordelijke kwartieren van Gelderland zich door toetreding tot de Unie van Utrecht* af van de Koning van Spanje; alleen het Overkwartier* als zodanig bleef trouw aan Philips II. Het geldgebrek bij de Spaanse Regering was oorzaak dat het ambt* Montfort verpand werd in 1591 aan Walraven van Wittenhorst, van 1591-1594 aan Philips van Bentinck en in 1608 aan Johan van Wittenhorst. De heerlijkheid Stevensweert zelf was hier waarschijnlijk niet bij; want in 1629 behoorde Stevensweert nog aan Maria van Nassau, weduwe van Willem van den Bergh. In hetzelfde jaar 1629 waarschijnlijk is Ohé en Laak, afgescheiden van Echt, "ende bij donatie gegeven aan Grave Hendrik van den Bergh door welcke donatie Ohé en Laak is geworden eens Heerelijckheydt separaat van die van Stevensweert".Zo waren dus de Heren van Stevensweert ook bezitters geworden van de Heerlijkheid Ohé en Laak en heersers dus op het eiland tussen de Oude en de Nieuwe Maas. Het is de uitzonderlijke ligging van het "eiland", die vooral in het begin der 17de eeuw de aandacht trok van de veldheren. De brede wateren der Maas die het omspoelden, vormden een natuurlijke en veilige gracht rond een gebied dat stategisch voordelig gelegen was tussen de vestingen Maastricht, Sittard, Roermond en Venlo.

Het kasteel der Graven van den Bergh midden in het dorp gelegen was reeds vroeger een ontzagwekkende sterkte geweest,doch had weinig meer te betekenen in een tijd toen alom gemoderniseerde krijgsmaterialen in gebruik kwamen. Iets meer dan 3 eeuwen geleden- nadat Frederik Hendrik in 1632, de steden Venlo, Roermond en Maastricht voor de Staten veroverd had, werd het anders zo vredig langs en op de Maas gelegen Stevensweert een niet te onderschatten kleine veste in de handen der Spanjaarden. Immers toen de voornoemde steden in handen van de Staatsen waren gevallen, besloot de markgraaf van Aytona, die na de dood der Infante Isabella het bestuur in de nog Spaanse Nederlanden uitoefende, het eilandje in de Maas te versterken en het dorp te ommantelen.

In de maand mei 1633 toen Frederik Hendrik met het grootste gedeelte van zijn leger voor Rijnberk lag- kwamen de Spanjaarden door Braband op Maaseijk af en trokken de Maas over, op de plaats genaamd "De blauwe Hand" De Staatsen onder aanvoering van den luitenant-generaal der cavalerie, van Stakenbroek genaamd, trachtte met veertig compagniën ruiters de overtocht te belemmeren maar te laat. Nog in dezelfde nacht van 27 mei werd hij gedwongen zich op Roermond terug te trekken.De Spanjaarden verschansten zich nu te Stevensweert en omgaven de plaats zelve met vestigingswerken naar de eisen van de tijd.De bevelhebbers wierpen rond de plaats een zware aarden wal met zeven bastions*, dit alles omgeven met een diepe gracht en versterkt met een stevige tegen-voorwal. Om voortdurend communicatie-mogelijkheid te onderhouden met het Spaans gebleven Kempische achterland werd een brug over de Nieuwe Maas geslagen met aan de andere zijde een geducht bruggenhoofd. Drie bastions van de vesting lagen rakelings langs de Maas en alsof dit nog niet genoeg ware, bouwden de legeraanvoerders Contelmo en Muncado nog drie kleine forten- één op het punt waar de Oude en de Nieuwe Maas zich scheidden - in het Zuiden, en een aan de Noordpunt van het eiland waar de stromen zich weer verenigen. Het derde fort lag ongeveer in het midden van de Oude Maas, toen nog de waterrijkste arm van de rivier.

De bedoeling van de Spanjaarden was duidelijk. Vooral Maurits en de Staatse krijgskundigen die hem opvolgden, gebruikten de waterwegen voor het transport van troepen en oorlogsmateriaal. De verbinding te verbreken tussen Maastricht aan de eene kant en Venlo en Roermond aan de andere kant en zodoende de voorname vesting Maastricht van de andere Staatse gebieden af te snijden, was de toeleg van de markgraaf van Aytona. Zo ontstond de vesting Stevensweert.

Een eeuw later nog werd Stevensweert als een niet te verontachtzame strategisch punt beschouwd; immers in het Barrière-Tractaat* van 1715 werd verboden, dat nieuwe vestingwerken zouden worden aangelegd binnen een half uur afstands en tevens werd bepaald dat het fort Stevensweert in bezit zou komen van de Nederlandse Republiek "met zoveel grond als vereist werd om de werken aan deze zijde van de Maas te vergroten". Zo was Stevensweert dus een vesting geworden met een stevige Spaanse bezetting, die geheel het Land van Montfort onder Spaanse heerschappij hield .

Toen dan ook bij de Vrede van Munster* in 1648 de 80-jarige oorlog eindigde en bepaald werd, dat én de Staatsen én de Spanjaarden zouden behouden wat ze op dat ogenblik bezaten, bleef de ammenie* van Montfort Spaans. De juiste grenzen zouden later worden vastgesteld; en dit gebeurde eerst in 1661 bij het z.g. "Partage-verdrag".*

Met Stevensweert (we hebben reeds meermalen gezien dat onze plaats niet in alles met het Land van Montfort verbonden was) gebeurde echter weer iets bijzonders. Reeds vóór het sluiten van de vrede, had op 27 december 1647 een vergelijk plaats tussen het huis van Oranje en de Koning van Spanje, waarbij Stevensweert van het wedervaren van de rest van het ambt Montfort werd uitgezonderd. Stevensweert bleef persoonlijk bezit van het Huis van Oranje,- doch Spaans : "In zijn geschiedenis van het Bisdom Roermond" schrijft Jos Habets, Deel I, pag. 35-36 dat zelfs geheel het ambt Montfort onder de titel van heerlijkheid zonder opperheerschappij aan Prins Frederik van Oranje werd afgestaan, onder voorwaarde dat hij het van den Koning zou te leen houden. Of de vesting in 1673 toen de Fransen met de Republiek der Verenigde Nederlanden in oorlog waren, rampzalige gebeurtenissen heeft ondergaan, is ons niet bekend. Wel werd "geheel de Staatse Partagie"* in "Limburg" door de Fransen veroverd. Gedurende de onderhandelingen gevoerd tussen de Vrede van Rijswijk*, die een einde maakte aan de Negenjarige Oorlog, en de Spaanse Successie-Oorlog*, werd door de Staten en Engeland van de tegenpartij, Frankrijk en Spanje geeist de ontruiming der Spaanse Nederlanden door de Franse garnizoenen en de bezetting met Staatse troepen van een reeks vestingen waaronder ook Stevensweert werd genoemd.

Lodewijk XIV van Frankrijk wilde hiervan echter niets horen en eiste handhaving van de Vrede van Rijswijk* en zo werd Stevensweert ook nu niet Staats. Evenwel de Vrede van Rijswijk was eigenlijk slechts een soort wapenstilstand. Weldra, in 1702, zou de Spaanse Successie-Oorlog uitbreken*. Opnieuw stonden de Staten met Engeland én de Habsburgers tegenover Frankrijk. Reeds in de eerste veldtocht in het najaar van 1702 woonde Marlborough zich een uitstekend veldheer en veroverde met de hulp van onze Staatse krijgkundigen Coehoorn van Obdam de eene Maasvesting na de andere ; Venlo Roermond en Stevensweert vielen in hun handen.

Zo werd Stevensweert dus in 1702 Staats. Onze vesting werd bij de Vrede van Utrecht* die een einde maakte aan de strijd op 11 April 1713 bij art. 18 van het z.g. 3de Barrière - Tractaat* aan de Staten-Generaal afgestaan met het Land van Montfort en zo bleef het tot 1795.

Om een totaal indruk te krijgen over de staatkundige constellatie van ons gewest in dien tijd is het interessant te weten dat de grens van 3 grote staten dwars door "Limburg" liepen; n.l. de grenzen van Pruisen, de Republiek der Verenigde Nederlanden en de Oostenrijkse Nederlanden, en dat er 3 talen officieel in zwang waren, te weten Duits in het Pruisische Overkwartier en in het Gulikse ambt van Sittard, Frans in de Oostenrijkse Nederlanden dus in Roermond, het ambt van Weert, en de Oostenrijkse delen van de Landen van Overmaas en tevens in het gebied van den Prins-Bisschop van Luik (Maastricht en het graafschap Horn); Nederlands te Venlo, in het ambt Montfort, de Staatse delen van de Landen van Overmaas en in de stad Maastricht.

Hoewel er tussen 1713 en 1795 nog verschillende oorlogen in de Zuidelijke Nederlanden werden uitgevochten , het bleef rustig in het Staatse Stevensweert. De versnippering van het gebied dat thans "Limburg" heeft in 26 souvereine staatjes en de telkens weer uitbrekende oorlogen, met als gevolg afgedankte en hongerige soldeniers, meestal afkomstig uit de laagste rangen van de maatschappij, waren de factoren die meewerkten aan het ontstaan van georganiseerde roversbenden die de landen tussen Maas en Rijn onveilig maakten. Drie keer n.l. van 1734-1756, van 1762-1776 en van 1790-1798 hebben benden "Bokkenrijders" te nacht en ontij door onze landouwen gezworven, en ofschoon hoofdzakelijk Zuid-Limburg hun eldorado was, de 2de bende drong ook door in Gulik en in het ambt van Montfort. Eerst toen de Fransen al de kleine gebieden tot een groot geheel hadden georganiseerd en daarmee de talloze grenzen die ons gewest doorsneden, hadden weggevaagd, was het uit met de rechtloosheid en konden deze booswichten zich niet meer in enkele ogenblikken tijds over de een of andere grens in veiligheid stellen.

Het voorspel tot de Franse overheersing begon voor Limburg reeds in 1792. Op 26 April verklaarden de Fransen de oorlog aan Oostenrijk en nog in dezelfde maand vielen zij de Oostenrijkse Nederlanden binnen en rukte zegevierend op door het Belgische Land. Op 1 Februari 1793 verklaarde het land van Lodewijk XVIII de oorlog ook aan de Republiek der Verenigde Nederlanden. Op 13 Februari sloeg het Franse leger onder Generaal Miranda het beleg voor Maastricht, nadat reeds op 12 Februari Venlo onder Generaal Champmorin was ingenomen. Roermond was reeds 10 December 1792 in hun handen. Wanneer zij in het Land van Montfort doordrongen is niet met zekerheid bekend. In de nacht van 7 op 8 December 1792 bereikte een voorbode van 1500 Fransen de stad Maeseijck. In de daarop volgende nacht van 8 op 9 December om 4 uur werd aan de overzijde van de Maas bij Stevensweert heftig geschoten. Met de Staten was Frankrijk toen nog niet in oorlog, en Stevensweert zal dus ook wel met rust gelaten zijn. Wel had men in die nacht het gebruik van het veer gevraagd, doch nadat hen gezegd was dat het een Hollands veer* was, had men verder daarvan afgezien. Al weten we niet wanneer de Fransen in het Land van Montfort doordrongen, wel is het bekend dat zij op 4 Maart 1793 de streek verlieten. Deze aftocht hield verband met de nederlaag der Fransen te Aldenhoven op 1 Maart. Op 3 Maart werd ook het beleg van Maastricht opgeheven en na de definitieve nederlagen der Fransen onder Dumouriez bij Landen en Neerwinden op 18 en 19 Maart 1793 trokken zij zich over de Franse grenzen terug.

In Juni 1794 echter rukte het Franse leger van Sambre et Meuze onder bevel van Jourdan en Pichegru opnieuw de Franse Noordgrens over. 26 Juni wonnen zij de slag bij Fleurus en zegevierden bijna overal. Nog in dezelfde maand trokken zij Gulik binnen. De vestingen in Limburg boden echter nog lang weerstand. Roermond viel eerst op 4 October, Venlo op 26 October, terwijl het sterke Maastricht eerst op 3 November, na een belegering van ruim een maand, zijn poorten openen zou. En Stevensweert ? Werd natuurlijk eveneens Frans zoals het nabije Maeseijck dat zelfs geplunderd en verwoest werd. Eenmaal het land tussen Maas en Rijn veroverd was een der eerste daden van de Volksrepresentanten de uitvaardiging van het besluit van 24 brumaire an III (14 November 1794) waarbij de centrale administratie te Aken gevestigd werd en het land tussen Maas en Rijn verdeeld werd in 7 arrondissementen*. Lag Stevensweert nu tussen Maas en Rijn ?? en werd het mede begrepen in bovengenoemde maatregel ? . Stevensweert was geen Oostenrijks bezit en alhoewel waarschijnlijk bezet werd het niet direct bij Frankrijk ingelijfd. In een schrijven uit het archief van Stevensweert zelf blijkt dat dit feitelijk eerst gebeurde op 26 Augustus 1795, terwijl op 9 vendemisire an IV (1 October 1795) ondermeer de voormalige Generaliteitslanden bij een verdrag op 16 Mei 1795 te Den Haag tussen de Franse en de Bataafse Republiek gesloten*, aan Frankrijk werden afgestaan, welk besluit op 4 Oktober van kracht werd.

Bij besluit van de Volksrepresentanten bij de legers van het Noorden en van Sambre et Meuse, verklaarden deze dat alle gemeenten en landestreken die niet voor de wet van 9 Vendemiaire an IV (1 October 1795) bij de Republiek waren ingelijfd van het Département van de Nedermaas werden losgemaakt. Hierbij wordt ook (Stevensweert) tussen haakjes genoemd. Waarschijnlijk is hier weer alleen de vesting Stevensweert zonder de rest van het eiland bedoeld. Of dit besluit trouwens veel betekenis heeft gehad en door de regering van Parijs zelf erkend werd, betwijfelen wij ten zeerste. Op 9 Januari 1796 behoorde Stevensweert in ieder geval tot het Departement* van de Nedermaas en werd ondanks het besluit van de bovengenoemde Volksrepresentanten op 9 Januari 1796 tevens hoofdplaats van het kanton* van Stevensweert.

Deze voorlopige indeling , tot stand gekomen bij besluit van de Raad van het Departement van de Nedermaas van 19 nivose an IV. ( 9 Januari 1796), bleef niet lang gehandhaafd, en Stevensweert genoot niet lang de eer van kantonnale hoofdplaats. Reeds bij besluit van 29 fructidor An V. (15 Sept. 1796) werd Echt hoofdplaats in plaats van Stevensweert

Bij deze laatste indeling in kantons werden de wingewesten nog meer met de Franse Republiek "gelijk-geschakeld". Als uitvloeisel van de grondwet van 5 fructidor an III (22 Augustus 1795) werd een nieuwe regeling ingevoerd waarbij alle gemeenten beneden 5000 zielen werden ontdaan van hun eigen bestuur. Het vroegere regeringslichaam van de plaats dat in een andere vorm nog was blijven voortbestaan, verdween. Er kwam een kantonsgewijze municipale* administratie waarbij Stevensweert wat het gemeentelijk bestuur betreft, met andere gemeenten verbonden, namen de "Municipaliteit* van het Kanton Echt" uitmaakten.

Nogmaals werd een grote verandering doorgevoerd bij de constitutie-wet van 28 pluviose An VIII (17 Februari 1800). Deze wet op 3 floreal An VIII (23 April 1800) in het Departement van de Nedermaas geregistreerd, hield in dat de kleine gemeenten weer hun eigen bestuur terugkregen. Het Departement der Nedermaas werd verdeeld in de gemeentelijke arronddissementen Maastricht, Hasselt en Roermond, en onderverdeeld in kantons die een deel van de vroegere administratieve bevoegdheden behielden. Zij dienden o.m. als basis voor de organisatie van de bureaux van weldadigheid, voor de inrichting van de kiezerskorpsen, en het samenstellen van de militieregisters.

Te Stevensweert vond de eerste vergadering van de nieuwe raad plaats op 13 brumaire an IX ( 4 November 1800). P, Reggers werd als president gekozen ( van de raad), en W. van der Leeuw als secretaris aangesteld. In de zitting van de raad van 6 germinal an IV ( 27 Maart 1801) moest Reggers het presidentschap echter neerleggen, want de Maire (Burgemeester) moest ingevolge een besluit van de Consuls voorzitter van de raad zijn.

De raad was nu als volgt samengesteld. Burgemeester (Maire) P. Beunen, leden P. Reggers, Math. Vincken, J. Schulpen, J. Cranssen, J.C. van Boven, M. Jacobs en A. Smeets. Secretaris was Guill. Van der Leeuw en ontvanger Guill. Gaillardt.

Van de lotgevallen der vesting zelf is ons uit deze periode weinig bekend. Alleen willen wij nog memoreren dat Napoleon het plan gekoesterd zou hebben om het kleine doch strategisch zo goed gelegen Stevensweert opnieuw te versterken en te moderniseren.

Of de inwoners onzer plaats begeesterd zijn geweest bij de komst der Fransen of bij hun vertrek, of zij om de vrijheidsboom hebben gedanst of de terugkeer van Oranje met vreugde hebben begroet, wij weten het niet; doch dit is zeker dat in vele opzichten de Franse tijd een zege is geweest voor de "Generaliteitslanden"

Voordelen waren de afschaffing van de feodale* rechten, met hun herediensten en tienden*, de gelijkheid van allen voor de wet, het verdwijnen der dwaze grensscheidingen en de onderling afwijkende rechtsgebruiken, grote veiligheid op het platteland dat voorgoed bevrijd werd van de "Bokkenrijdersplaag", afschaffing der tollinies,instelling van een geregelde postdienst en aanleg van betere wegen.

Nadelen die de "Limburger" aan het hart raakten waren de zware, soms ruw afgedwongen militaire vorderingen waarvoor men in ruil ontving de bijna waardeloze Franse assignaten*, en verder de gedwongen dienstplicht (conscriptie) en bovenal het anticlericalisme*.

Zeker, onder het geniale bestuur van Napoleon, die oorlog, onrust en ellende zaaide onder de nabuurvolkeren, kende de Maaslanden een ongeevenaarde rust en vrede; ook kwam door het op 10 September 1801 met den Paus gesloten Concordaat* een tijdelijke verbetering tot stand in de verhouding van Kerk en Staat, maar in 1809 verloor Bonaparte in onze gewesten alle sympathie door zijn breuk met den Paus; en toen in 1814 het Keizerrijk ineenstortte heeft onze streek de val van den geweldenaar met een zekere onverschilligheid vernomen.

In de eerste dagen van Januari 1814 vielen verschillende legers van de Verbonden Mogendheden het ontwrichte Rijk van Napoleon binnen. Grote troepen-transporten hadden plaats over het Maas-veer van Stevensweert, zoals blijkt uit de gemeentelijke archieven uit deze periode. In de tweede helft van Februari van genoemd jaar waren nog alleen de vestigingen Maastricht en Venlo door de Fransen bezet, elders waren zij reeds verdreven door de voortrukkende Pruissen, Russen en Zweden die op 21 januari Luik reeds in hun bezit hadden.

Op 15 april werd te Stevensweert de volgende publicatie aangeplakt; "Aangezien de Victorieuse overwinningen behaalt den 25 en 30 Maart en 't inneemen van de Capitale Stad van Vrankrijk door de geallieerde mogenheden, soo worden alle inwoonders dezer gemeente versogt van aenstaende Sontag te lumineeren".

Bij het vertrek der Fransen ontstond een grote bestuursverwarring, doordat onze streken bijna tegelijkertijd door minstens 3 bestuurscolleges werden "ingepalmd".

Op 12 Januari 1814 werd te Basel een Generaal Gouvernement van de Neder-Rijn ingesteld, dat ook het Departement van de Nedermaas omvatte. Op 14 Februari werd te Luik een voorlopige Centrale Gouvernementscommissie voor het Departement van de Nedermaas ingesteld die uit naam der Verbonden Mogendheden het bewind voerde over de bezette gebieden. Over de voormalige Generaliteitslanden, waarop de Prins van Oranje aanspraak maakte, trachtten bovendien de Commissarissen van de Souvereine Vorst hun gezag te doen gelden.

Op 4 Februari 1814 begaven deze mannen, Bangeman Huyghens, Hugenpoth tot den Berenclauw zich op weg om o.a. ook Stevensweert in bezit te nemen voor den Prins van Oranje en de bekende publicatie van de 6 artikelen, gebaseerd op de proclamatie van Z.K.H. van 6 December 1813 waarbij hij de Souvereiniteit aanvaardde, aan te plakken en af te kondigen.

Nog vóór 10 Maart, datum waarop Sack het Gouvernement over de Neder-Rijn aanvaarde, was Stevensweert dus reeds in bezit genomen door de Prins van Oranje. De brief van 5 Maart uitgegaan van Minuth, Gouvernements-commissaris van het Departement van de Nedermaas, als deel van het onder Sack resorteerde gebied, verbood de gemeenten der Generaliteitslanden de bevelen van de Commissarissen van de Souvereine Vorst aan te nemen, doch slechts de zijne op te volgen.

Op 5 Mei echter, onmiddellijk na het vertrek der Fransen, namen onze Oranje-mannen, die zich niet stoorden aan de verschillende ingestelde besturen, Maastricht in bezit en op 8 Mei Venlo. Eveneens op 5 Mei kwam er een overeenkomst tot stand tussen de Commissarissen van de Souvereine Vorst en Piautas, Gouvernementscommissaris van de Nedermaas, (2de opvolger van Minuth), waarbij de rechten van den Prins op de Generaliteitslanden op de rechter Maas-oever erkend worden. Werd hierin ook Stevensweert begrepen ? dat immers lag op de linker oever van de Oude Maas ? Wij weten het niet met zekerheid. In ieder geval hebben de Commissarissen van den Prins de vesting niet losgelaten tot 1 Augustus 1814, datum waarop aan de Souvereine Vorst als Gouverneur-Generaal der Verbonden Mogendheden het bestuur over geheel België werd opgedragen.

Bij besluit van 22 December 1814 ging het bestuur van de Generaliteitslanden over op het bestuur van de provincie Braband. Met ingang van 1 Januari 1815 werd Stevenswqeert dus vanuit den Bosch "bestuurd".

Nadat op 12 Mei 1815 bij het Congres van Weenen de vergroting van Nederland op de rechter Maasoever een feit was geworden, werden de voormalige Generaliteitslanden bij Koninklijk Besluit van 2 October 1815 van Braband afgescheiden en bij de nieuwe provincie "Limburg" gevoegd. Het is in deze periode dat gedurende enige tijd en tegelijkertijd 2 burgemeesters resideerden te Stevensweert, en wel één voor de vesting Stevensweert en één voor het "Eyland" ook wel genaamd het rurale* gedeelte van Stevensweert.

We hebben hier weer te doen met het verschijnsel wat we reeds vaker ontmoetten n.l. het onderscheid dat er gemaakt werd tussen het fort en de rest van de oude heerlijkheid. Zo ook in 1815. Het fort waarschijnlijk door de Commissarissen van de Souvereine Vorst in bezit genomen zonder het rurale gedeelte, heette het "Hollandse deel" en had een "Hollandse" Burgemeester in Guill. Van der Leeuw, terwijl het rurale gedeelte "het Eijlandt" door de "Pruissische" Burgemeester Th. Den Ouden werd bestuurd. Tussen deze twee burgemeesters ontstond een conflict naar aanleiding van de vraag of en hoe de archieven verdeeld moesten worden. Een schrijven van 31 Mei 1815 uitgaande van den Gouverneur van Braband maakte een einde aan het geschil. Bij besluit van 22 Mei 1915 no. 19 werd de "stad" Stevensweert met het "Eiland" onder één bestuur gebracht en de archieven, welke nog in bezit waren van den burgemeester, Th. Den Ouden aan den "Hollandsen" burgemeester overgegeven.

Het zou ons te ver voeren uit het archief uit deze periode nog meer bijzonderheden op te diepen. We maken dus een sprong naar het jaar 1830 toen Stevensweert opnieuw van Heer veranderde. Het is de tijd toen bijna geheel Limburg zich liet meeslepen in de Belgische opstand*, waardoor ook Stevensweert gedurende 9 jaren in feite een deel werd van het nieuwe Belgische Koninkrijk. Behalve te Maastricht woei bezuiden Venlo de Brabandse vlag van alle Limburgse torens.

Na vele besprekingen, conferentie's en congressen, toen de Nederlands-Belgische kwestie eindelijk opgelost ging worden, en een verdrag werd voorgesteld waarbij Limburg op de rechter Maasoever terug aan Nederland zou komen, weigerde Willem I de z.g. 24 artikelen te ondertekenen en hij bleef weigeren en wijfelen tot 1838. Toen hij echter op 14 Maart verklaarde met België tot een vergelijk te willen komen, verwekte dit bericht te Brussel een paniek; men wilde het offer dat men zich in 1831 getroost zou hebben thans niet meer brengen. 8 jaren lang waren deze gewesten met België aaneengegroeid. Nu weigerde België te onderhandelen.

Niet België of Nederland zouden beslissen over ons, doch de Grote Mogendheden bij het eind-tractaat dat in Januari te Londen werd vastgesteld. Op 1 Februari 1839 verklaarde Willem I zich bereid de enigzins gewijzigde 24 artikelen te tekenen. Op 4 Maart kwamen de Belgische Kamers bijeen om het verdrag te bekrachtigen en op 19 Maart nam de Belgische Kamer met 58 tegen 42 stemmen de wet aan. Op 19 April had te Londen de ondertekening van het tractaat plaats. De Oostelijke Maasoever en het gedeelte van Stevensweert tot aan de Brabands-Limburgse grens werd weer Nederlands.

Op 22 Juni 1839 namen de Koninklijke Commissarissen Jhr. J.H.P. Gericke van Herwijnen en Mr. A.J. Borret de Limburgse gewesten voor Koning Willem I in bezit. Op dezelfde dag rukten de Nederlandse troepen, infanterie en husaren vanuit Maastricht op over de Limburgse wegen om de voornaamste vestingen en steden te bezetten.

Als gevolgmachtigde van de Staatsraden Commissarissen (Gericke en Borret) vertrok Jhr. P.A.S. Kerens de Wolfrath, die het "Limburgse" als waarnemend Gouverneur van 1830-1839 bestuurd had, op 22 Juni vanuit Maastricht om de vestingen Venlo, Roermond en Stevensweert voor den Koning in bezit te nemen en er de "proclamatie tot weder in bezit neming" af te kondigen en aan te plakken. Nog op 22 Juni bereikte Kerens de vesting Venlo en op 23 Juni Roermond. Nog dezelfde avond hoopte hij de derde vesting Stevensweert, te bereiken, "doch" zo schrijft hij zelf in zijn rapport dat wij aantroffen in het archief der Staatsraden Commissarissen, op het Rijksarchief te Maastricht, "de zeer onbruikbare route heeft veroorzaakt dat ik dit stadje niet voor des avonds 10 ure konde bereiken".

De proclamatie, waarbij onze gemeente weer Nederlands werd, had plaats op 24 Juni 1839 des morgens om 8 uur.

Na de Grondwet-herziening werd op 24 September 1840 het regelmatig bestuur hersteld en werd Limburg werkelijk en defintief Nederlands elfde provincie.

Wel maakte het Hertogdom Limburg, dat lid was van de Duitse Bond, en daardoor verplicht was een contigent van drie escadrons ruiterij gereed te houden, nog eens bange dagen mee in de oorlog tussen de Duitse Bond en Pruissen.

Tengevolge van de Pruissische overwinning spatte deze bond echter uiteen. Weer kwamen de Mogendheden van 1839 te Londen bijeen, en het resultaat was, dat art. 2 van het eindverdrag der Conferentie van 11 Mei 1867 bepaalde, dat Limburg voortaan alleen en uitsluitend tot het Koninkrijk der Nederlanden zou behoren.

Het daarop volgende jaar 1868 werd door een besluit van de regering het vonnis geveld over de laatste bolwerken in onze provincie. Ook de vestingwallen van Stevensweert werden geslecht niet slechts uit strategische overwegingen; ook de inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht oordeelde opruiming der wallen en vulling der grachten uit hygienisch standpunt gezien noodzakelijk.

En zo werd op 14 Juli 1872 door de raad der gemeente het besluit genomen " alle die maatregelen te treffen om aan de bovenstaande dringende aanbeveling van het geneeskundig staatsstoezicht gevolg te geven ".

Stevensweert was weer plattelands-gemeente geworden.

Alleen de karakteristieke samenstel der straten, die nog op één punt samenkomen, zoals de spaken van een wiel, wijst op en herinnert aan de vroeger zo belangrijke veste.

Overgenomen uit het archief van Stevensweert.

Archieven

  • De katholieke Doopregisters beginnen in 1638, de Huwelijksregisters in 1639 en de Overlijdensregisters in 1661 (parochie H. Stephanus). Zie verder deze link DTB-registers en Burgerlijke Stand.
  • De protestantse (hervormd) Doopregisters beginnen in 1705, de Huwelijksregisters n 1728 en de Overlijdensregisters in 1810.
  • De katholieke registers van het Spaanse garnizoen beginnen met de Doop in 1634 en de Huwelijksregisters in 1633.

Literatuur

Persoonlijke instellingen