Myllendonk

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Eerste versie gebaseerd op een artikel in de Nederlandse Wikipedia onder de titel Rijksheerlijkheid Myllendonk


Myllendonk was een tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits behorende rijksheerlijkheid binnen het Heilige Roomse Rijk. Het gebied van de huidige gemeente Korschenbroich komt grotendeels overeen met de voormalige heerlijkheid. Korschenbroich ligt in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, in het district Rhein-Neuss aan de linker Rijnoever. De stad telt 33.400 inwoners (2007).

Voor 1700

Het huidige slot vindt zijn oorsprong waarschijnlijk in een kasteel (motte) uit de tiende tot twaalfde eeuw. De edele heren van Myllendonk worden in 1166 voor het eerst vermeld. Het geslacht was één van de meest aanzienlijke in het Rijnland. Na het uitsterven van de eerste dynastie omstreeks 1300 erfden de heren van Reifferscheid de heerlijkheid als leen van het toenmalige graafschap Gelre. De heerlijkheid wisselde vrij vaak van eigenaar. Omsteeks 1350 kwam hij in bezit van de familie van Mirlaer en in 1621 erfde Jan Jacob van Bronkhorst-Anholt de heerlijkheid via zijn moeder, Gertruda van Mirlaer. Tengevolge van het huwelijk van zijn dochter Isabella komt het vervolgens in 1682/90 aan de vorst van Croy. Hertog Karel Eugenius van Croy verkoopt Myllendonk in 1699 aan gravin Maria Gertrude van Berlepsch.

Van 1700 tot 1794

Maria Gertrude was in 1723 op 22-jarige leeftijd weduwe geworden van Willem Lodewijk van Berlepsch. Zij had een fortuin vergaard als hofdame van koningin Maria Anna van Spanje. De gravin werd op 13 juni 1699 door de koning van Spanje in zijn hoedanigheid van hertog van Gelre beleend met de heerlijkheid. Al in 1700 werd de heerlijkheid bevrijd van de leenband met Gelderland en daardoor Reichsunmittelbar. De gravin werd vervolgens zonder problemen opgenomen in het college van rijksgraven in Westfalen, waardoor ze vertegenwoordigd was op de Rijksdag.

De familie Berlepsch voerde een straf fiscaal bewind, aanvankelijk om de schulden te saneren, later om een familievermogen te vormen. Tegenstand vanuit de bevolking werd met harde hand onderdrukt. Na de dood van Maria Gertrude in 1723 ontstond er onenigheid binnen de familie. Op 1731 kwam er een vergelijk tot stand tussen de kleinkinderen van de gravin: graaf Philips Anton en gravin Maria Carolina. Volgens deze overeenkomst zou de kinderloze graaf Philips Anton tot zijn dood regeren, waarna het bezit aan de kinderen van zijn nicht zou vallen. Reeds het volgende jaar overleed de graaf aan de gevolgen van een ongeluk met zijn koets.

Gravin Maria Carolina was gehuwd met de keizerlijke diplomaat graaf Hendrik Karel van Ostein. De successie werd bedreigd door het keurvorstendom Keulen, die de heerlijkheid op grond van een schuld aan de Westfaalse Kreits wilde bezetten. De graaf van Ostein slaagde erin de heerlijkheid te behouden, de schuld te saneren en de zetels in de Westfaalse kreits en bij de Westfaalse rijksgraven in te nemen.

Na 1742 werd de regering gevoerd door de keurvorst van Mainz, Johan Frederik Karel van Ostein als voogd over zijn minderjarige neef Johan Maximiliaan. Pas na de dood van de keurvorst in 1763 kwam zijn neef aan de regering.

Franse tijd

In 1794 werd de heerlijkheid bezet door Franse troepen, waarna het in 1797 werd ingelijfd bij Frankrijk.

In de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 vermeldt paragraaf 24: de graven van Ostein krijgen voor het verlies van Myllendonk de abdij Buxheim, echter zonder het dorp Pless. Lang heeft de nieuwe rijksheerlijkkeid niet bestaan, want in de Rijnbondakte van 12 jui 1806 kent artikel 24 de souvereiniteit over de heerlijkheid Buxheim toe aan het koninkrijk Beieren: de mediatisering. De familie sterft in 1809 met Johan Frederik Karel uit.