Melaatsheid

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Melaatsen.jpg

Melaatsheid was vroeger in onze contreien een verzamelnaam voor een aantal ziekten waaronder lepra. Iemand die melaats was kreeg als aliasnaam vaak 'den Blaet'. Als vermoedelijke melaatse komen we in 1602 en '03 al een Thiss der Blaett tegen in Beesel.

De afzondering van zieken is altijd een belangrijk kenmerk geweest bij de benadering van lepra. Zo had Roermond vroeger een apart Blaethuijs. In Venlo wordt in 1605 de Melaten boom genoemd, ongetwijfeld ook buiten de stad gelegen, op veilige afstand. Lepra was immers een besmettelijke ziekte en bij gebrek aan geneesmiddelen leefden de patiënten buiten de rest van de gemeenschap. De leproos droeg gewoonlijk een zwarte mantel of leprozenkleed en een vilten hoed met een brede witte rand; met een klepper of ratel maakte hij zijn komst bekend. Als de ziekte 'officieel' was vastgesteld, kreeg de patiënt ook vaak een 'vuylbrief' of 'lazarusbrief' die o.a. het recht gaf om te mogen bedelen. Om deze reden werden vuilbrieven ook wel vervalst.

Swalmen

Ook Swalmen kende in de 17e eeuw nog leprapatiënten. Die wendden zich in 1636 tot de stad Roermond, maar het stadsbestuur vond dat iedere plaats zelf voor haar melaatsen moest zorgen.
Enkele melaatsen kennen we bij naam. Zo trouwde in 1642 Henricus Lenarts alias de wever met Agnes Martens; in het trouwboek werden beiden ingeschreven als 'leprosi'. Bij de doop van hun vier kinderen noteerde de pastoor ook viermaal dat Hendrik lepra had. Agnes overleed in 1664 'op de Boekoul'.
In het gezin van Mathijs Node alias Van Elsenbroek alias Van Giesekerken alias Van Rodenkercken alias Schonen (hoeveel aliasnamen kan iemand hebben) en Wilhelmina Reinders kwam in ieder geval tussen 1664 en 1667 eveneens lepra voor, net als bij Maria Lamberts uit Elmpt, die in 1664 doopgetuige was in het gezin. Datzelfde jaar werd in Swalmen wijlen 'leprosus vagabundus dictus Hans' begraven, terwijl in 1669 een kind van leprose zwervers werd gedoopt. Het gezin van Mathijs Node woonde overigens kennelijk aan de Krop, waar Mathijs' eerste vrouw als Guilielma aen gen Crop in 1675 overleed. Mathijs hertrouwde in 1675 met Joanna Leniss alias Gubbels. Bij de vier kinderen van dit gezin noteerde de pastoor woorden als 'lazari' en 'leprosi'. In 1685 verkochten Hendrick Conincxsvelt en Andries Hendrickx, als voogden van de kinderen van Frans Coninckx en Encken, huis en hof op de Heijde gelegen tussen Anna Bretmens en den Blaet. In de hoofdschat van 1686 treffen we den Blaete aan samen met zijn vrouw en een dienstmaagd. In 1694 werd een dochter begraven van Thijs den Blaedt, waarmee vermoedelijk Mathijs Node wordt bedoeld.
In 1762 verkochten Derick Knips en Willem Joosten alsmede Hendrick Biermans, met toestemming van hun echtgenoten, ongeveer 3½ morgen akkerland genaamd de Blaeten Camp op de Heyde gelegen tussen de weduwe Reijnier Deters en het openbare Schoelbroek, met de korte zijden grenzend aan het Schoelbroek en de openbare Vheestraet, aan Hendrick Haewinkels en Anna Kermans; de overdracht vond pas plaats in 1781, na het overlijden van Anna. Landmeter Smabers (1774) geeft de Melaetencamp in Swalmen aan op kaart 10.