Limburgs (taal) / Geschiedenis

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Limburgs (taal) / GESCHIEDENIS


Door dr. Ad Welschen (ontleend aan zijn artikel 'Maas-Rijnlands' op de Nederlandse Wikipedia [1])

Zie ook: Limburgs (taal) / Algemeen
Zie ook: Limburgs (taal) / Typologie

Inhoud

Maas-Rijnlands

Maas-Rijnlands (Duits:Rheinmaasländisch) is een recent [2] alternatief om de Oud-Oostnederfrankische middeleeuwse literatuur in te delen. Daarnaast is het een dialect-geografische aanduiding, die primair in Duitsland wordt gebruikt om de diverse Nederfrankische dialecten in het huidige Duitse taalgebied te beschrijven. Dit gebied sluit geografisch en taalkundig aan op dat van de Limburgse en Zuid-Gelderse dialecten in het zuidoostelijke deel van Nederland. Het begrip heeft in ruimere zin betrekking op het hele Zuidoost-Nederfrankische taal- en dialectgebied in de zogenoemde Maas-Rijn-driehoek, thans behorend tot drie landen, waar ook de dialecten van Nederlands en Belgisch Limburg deel van uitmaken. In de middeleeuwen en nog lang daarna heeft dit gebied een zekere culturele eenheid gevormd.[3]

Dat het Limburgs in de Middeleeuwen een Maas-Rijnlandse overgangstaal vormde [zie hiervoor de volgende paragraaf], blijkt uit middeleeuwse archivalia (rekeningen en oorkonden van de Balije Alden Biesen, Maastricht, Sittard, enz.), alsmede literaire teksten zoals het werk van Henric van Veldeke, de Aiol – fragmenten[4], de Limburgse Sermoenen [5] en de diverse Limburgse/Ripuarische redacties van de laat-hoofse roman van “Heinric en Margarete van Limburg”. Hoewel het Limburgs door het werk van Henric van Veldeke, de oudste prominente variant vormde van de Middelnederlandse of Dietse taalgroep, is na de opkomst van Brabant in de 13e eeuw de positie van het Limburgs in de Nederlandse schrijfcultuur snel gemarginaliseerd.

De precieze leeftijd van het Limburgs is overigens niet goed vast te leggen. Na de oudste schriftelijke sporen en tekstfragmenten [zie hiervoor de volgende paragraaf] dateren de eerst bekende literaire teksten uit ongeveer 1170 (Henric van Veldeke).

Taalkundigen gaan ervan uit dat de taalkundige verschillen tussen verschillende delen van Limburg thans veel groter zijn dan vroeger; rond 1200 waren de taalverschillen in Limburg klein, sindsdien zijn –wegens afnemende contacten– de lokale verschillen uitgegroeid tot de huidige situatie. De naam ‘Limburgs’ voor de taal gesproken in de huidige provincies Limburg is nog recent, zij dateert van de stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815. De taal is genoemd naar de provincienaam, door Koning Willem I gegeven aan de toen nog ongedeelde provincie gegeven.

Het oudste Limburgs

  • Het Evangeliarium van Munsterbilzen is een liturgisch boek dat de evangelie-lezingen van de H. Mis bevat. Het is in het Duitse Augsburg geschreven in het begin van de 9de eeuw. Het kwam in 1096 in het bezit van de abdij van Munsterbilzen (Bilzen) en werd tot aan zijn opheffing bewaard in het adellijk damesstift aldaar.[6]
    Dit Evangeliarium bevat ook de oudste bewaard gebleven zin in het Limburgs en één van de oudste zinnen in het Nederlands. Zij luidt:
Tesi samanunga was edele unde scona
"Deze verzameling (kloostergemeenschap) was edel en schoon"
Dit fraaie zinnetje speelt in de geschiedenis van het Nederlands een essentiële rol.[7] Het komt vlak na Hebban olla vogala ( ... ), dat lang bekendstond als de oudste nog bewaarde getuigenis (in Oxford) van de Nederlandse taal. "Tesi samanunga" is in 1130 bijgeschreven in het evangeliarium van Munsterbilzen, volgend op een lijst van dertig namen van de kloosterlingen. Het gaat dan verder in het Latijn:
et omnium virtutum pleniter plena
"en geheel vervuld van alle deugden".
Het evangeliarium bevat ook de Ordo Stellae, een driekoningenspel, dat als het oudste toneelspel uit de Nederlanden geldt.
  • Naast dit Oudnederlandse lofvers "Tesi samanunga" bewaarde men in deze abdij van Munsterbilzen ook (minstens vanaf 1446 tot en met 1591) een 10de-eeuws psalterium. Dat helaas verloren gegane tweetalig Latijns-Oudnederlandse psalter werd vernoemd naar zijn laatst bekende bezitter, Arnold Wachtendonck. De Wachtendonckse Psalmen vormen samen het oudst bekende boek in de Nederlandse taal.
Het vormde een verzameling van in het Oud-Oostnederfrankisch vertaalde psalmen, waarbij de vertaling interlineair wordt gegeven: de woordvolgorde van de Latijnse bron werd aangehouden in de vertaling, zodat de tekst ook voor leerdoeleinden gebruikt kon worden. Dit wordt goed gedemonstreerd uit de volgende vergelijking van een zin uit de Wachtendockse psalmen en de door Jacob Verdam gereconstrueerde Middelnederlandse “vertaling”:
Irlôsin sol an frithe sêla mîna fan thên thia ginâcont mi, wanda under managon he was mit mi
In Middelnederlandse transliteratie:
“Erlosen sal [hi] an (in) vrede siele mine van dien die genaken mi, want onder menegen hi was mit (of met) mi”.

Hendrik van Veldeke

Hendrik van Veldeke (ook: He(y)nric van Veldeke(n), Duits Heinrich von Veldeke, voor of omstreeks 1150 – na 1184) is de eerste Maaslandse, volkstalige schrijver van de Lage Landen die we bij naam kennen. Zijn werk wordt door Duitse literatuurhistorici ook tot de Middelhoogduitse letterkunde gerekend, omdat veel van zijn werk in het Middelhoogduits werd geschreven of alleen in een Middelhoogduitse versie werd overgeleverd. Een groot deel van zijn loopbaan verbleef de dichter aan Duitse hoven.

Veldeke schreef het Leven van Sint-Servaas, waarschijnlijk zijn eerste werk, in opdracht van heer Hessel, de koster van het Maastrichtse Servaaskapittel, en van Agnes van Metz, de gravin van Loon. Daarin hanteerde hij het Limburgs van zijn tijd.
Veldekes omvangrijkste werk is de Eneasroman, de eerste hoofse roman in een Germaanse taal, voor het grootste deel gedicht rond 1175. Veldeke baseerde haar op de Oudfranse Roman d’Eneas, die op haar beurt teruggaat op Vergilius’ Aeneis. Het feit dat de Eneasroman uitsluitend in een Middelhoogduitse versie is overgeleverd, heeft de vraag doen rijzen of het deel van de roman dat hij aan de gravin van Kleef liet lezen, oorspronkelijk in het Maaslands dan wel in het Middelhoogduits was geschreven. Aan het Kleefse hof werd het Limburgs even goed of beter begrepen dan het Middelduits. Duitse wetenschappers denken daarom dat ook die tekst oorspronkelijk in het Maaslands was. Dit Maaslands van Veldeke was in elk geval Nederfrankisch, de voorloper van het Nederlands en niet van het Duits. Germanisten als Otto Behaghel (in zijn uitgave van 1882), Theodor Frings en Gabriele Schieb (in hun uitgave van 1964-1970) waren van mening dat Veldeke de Eneas in zijn moedertaal had geschreven. Ze hebben zelfs geprobeerd deze verloren versie te reconstrueren.

Hoe Veldeke in zijn latere werk een mengeling creëerde van Maaslandse (Middel-Limburgse) en Middelhoogduitse taalvormen, wordt geïllustreerd met het volgende Minnelied:

Ez sint guotiu niuwe maere,
daz die vogel offenbaere
singent, dâ man bluomen siht.
zén zîten in dem jâre
stüende wol, daz man vrô waere,
leider des enbin ich niht:
Mîn tumbez herze mich verriet,
daz muoz unsanfte unde swaere
tragen daz leit, das mir beschiht.

('Het is goed nieuws, dat de vogels luidkeels zingen waar men bloemen ziet. In deze tijd van het jaar zou men blij moeten zijn, maar helaas, dat ben ik niet: mijn dwaze hart heeft mij verraden, en moet nu, treurig en somber, het leed verdragen dat mij ten deel valt.')

Tussen het Niderlant en het Oberlant

In de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat het huidige gebied op de rand van drie nationale staten – België, Nederland en Duitsland – een belangrijke rol heeft gespeeld in de laatmiddeleeuwse letterkunde.[8] Het in 2006 verschenen Van der Masen tot op den Rijn. Ein Handbuch zur Geschichte der mittelalterlichen volkssprachlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas van Helmut Tervooren is een handboek over de geschiedenis van de middeleeuwse volkstalige letterkunde in het Maas-Rijngebied, door hem als belangrijke Kulturraum omschreven. Deze 'Kulturraum' nam in de middeleeuwen een strategische positie in tussen Romania en Germania, en tussen de Nederlanden en de Duitse gebieden, tussen het Niderlant en het Oberlant.
De Belgische Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde heeft haar vijfjaarlijkse prijs voor de studie van oudere Nederlandse taal, literatuur en cultuur 2009 voor de periode 2004-2008 toegekend aan het handboek van prof.dr. Helmut Tervooren.[9]

Noten

  1. Bron:[1]
  2. Arend Mihm, 1992
  3. Vergelijk J.A. Bornewasser; e.a. (red) (1977): Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden, Amsterdam / Brussel; deel 1, hoofdstuk "De Middeleeuwen",
    -- p. 244 [over de cultuur:] "Daarom was het centrum bij uitstek de Rijn-Maasvallei, waar een opmerkelijke cultuur ontstond in de post-Karolingische tijd die tot in de vroege 13de eeuw bleef bloeien. Nijvel en Keulen, Nijmegen en Verdun waren de steden die dit gebied omzoomden ( ... ) Vooral Luik was hier het centrum, helemaal nog gericht op en geïnspireerd door het Duitse Rijk."
    "Later en verschillend van inspiratie kwam Vlaanderen tot bloei, geschraagd door de vroege macht van het graafschap en door stimulerende invloed vanuit Frankrijk."
    "Tot de twee genoemde zones, Rijn-Maas en Vlaanderen, bleef zonder veel overdrijving de cultuur der Nederlanden beperkt tot in de 13de eeuw.";
    -- p. 246: "De twee zones die we hebben onderscheiden vormden natuurlijk maar delen van de grotere culturele en politieke complexen: het Maasland van Duitsland, Vlaanderen van Frankrijk.";
    -- p. 249 [over de literatuur:] "De vraag of Hendrik van Veldeke nu behoort tot de Nederlandse of de Duitse literatuur is onzes inziens irrelevant, aangezien de tijdgenoot zelf nog geen onderscheid schijnt te hebben gemaakt tussen datgene wat we met moderne begrippen Oostnederlandse en West-Duitse dialecten zouden noemen."
  4. In het begin van de 13de eeuw werd de Franse ridderroman Aiol en Mirabel in het Limburgs bewerkt. Van die Limburgse bewerking zijn 24 fragmenten (ca. 750 verzen) aan het licht gekomen, die alle tot hetzelfde handschrift hebben behoord. Een aantal fragmenten zijn slechts knipsels of snippers, waarop niet meer dan een paar woorden of enkele letters voorkomen. Het Franse origineel telt 10.985 verzen. Geheel de Franse roman werd in het Limburgs bewerkt, maar de bewerker heeft de Franse tekst door kleinere uitlatingen en door weglating van bijzonderheden voortdurend bekort. Misschien is het handschrift, waartoe de fragmenten hebben behoord, in Oude Biezen, de landkommanderij van de Duitse Orde in Rijkhoven bij Bilzen, geschreven, maar dan door een kopiist, die niet uit die streek, maar uit de buurt van Venlo afkomstig was, zoals uit de taal van de bewaarde fragmenten blijkt. Vermoedelijk is de tijdruimte tussen het verloren Limburgse origineel en het afschrift, waartoe de fragmenten hebben behoord, niet zo groot geweest. Bron: J. Deschamps, Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken. E.J. Brill, Leiden 1972 (2de druk), [2]
  5. Bron: Wybren Scheepsma, De Limburgse sermoenen (ca. 1300). De oudste preken in het Nederlands. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen XXVI. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2005.
    De Limburgse sermoenen leunen zeer sterk op de bestaande Middelhoogduitse geestelijke literatuur, terwijl ze moeten zijn ontstaan vlak bij de taalgrens in het huidige België. Men kan zich afvragen waarom is de invloed van het Frans niet groter is. Er zijn twee Limburgse sermoenen, te weten het palmboomtraktaat en de twaalf-vruchtenpreek van Guiard de Laon, die in de late dertiende eeuw ook in het Franse taalgebied voorhanden waren. Beide teksten zijn echter via het Latijn of via een omweg langs het Middelhoogduits in het Nederlandse taalgebied terechtgekomen. Er bestond in het huidige Wallonië een religieus klimaat dat sterk lijkt op datgene waarin de Limburgse sermoenen moeten zijn ontstaan. En toch haalde de 'samensteller' een groot deel van zijn materiaal uit het verre Zwarte Woud. Er bestonden kennelijk goede contacten tussen het Bovenrijngebied en de Nederlandstalige Nederlanden, terwijl de taalgrens veeleer als een waterscheiding fungeerde. [3]
  6. Matthieu Wijnen: 'Munsterbilzen en het Oudnederlands', in: Tesi Samanunga, Tijdschrift van de Heemkundige kring Landrada, on line op [4]
  7. Zie hiervoor Goossens (1975).
  8. Zie de inaugurele rede van prof.dr. J.B. Oosterman (RU Nijmegen, 2007): In daz Niderlant gezoget: het Maas-Rijngebied als speelveld voor filologen [5]
  9. De jury noemt Tervoorens boek een pionierswerk, dat de vergane literaire cohesie en de grote literair-historische betekenis van een nu over drie landen verdeeld gebied voor de eerste keer in kaart brengt.

Literatuur

  • Georg Cornelissen 2003: Kleine niederrheinische Sprachgeschichte (1300-1900): eine regionale Sprachgeschichte für das deutsch-niederländische Grenzgebiet zwischen Arnheim und Krefeld: met een Nederlandstalige inleiding. Geldern/Venray: Stichting Historie Peel-Maas-Niersgebied.
  • Michael Elmentaler 1998: 'Die Schreibsprachgeschichte des Niederrheins'. Forschungsprojekt der Uni Duisburg, in: Dieter Heimböckel (red.), Sprache und Literatur am Niederrhein, Schriftenreihe der Niederrhein-Akademie, Bd. 3, Bottrop / Essen, 15-34.
  • Theodor Frings 1916: 'Mittelfränkisch-niederfränkische studiën I. Das ripuarisch-niederfränkische Übergangsgebiet. II. Zur Geschichte des Niederfränkischen', in: Beiträge zur Geschichte und Sprache der deutschen Literatur 41 (1916), 193-271 en 42, 177-248.
  • Jan Goossens, 1965, Die Gliederung des Südniederfränkischen, in Rheinische Vierteljahrsblätter, 30: 79-94.
  • Jan Goossens 1975: "Tesi samanunga was edele unde scona", in: Spel van Zinnen (Album A. van Loey). Brussel. Herdrukt in: Jan Goossens 2000, Ausgewählte Schriften zur niederländischen und deutschen Sprach- und Literaturwissenschaft, herausgegeben von Heinz Eickmans, Loek Geeraedts, Robert Peters. Münster/New York/München/Berlin.
  • Irmgard Hantsche 2004: Atlas zur Geschichte des Niederrheins (= Schriftenreihe der Niederrhein-Akademie 4). Bottrop/Essen: Peter Pomp (5e druk).
  • C en G Hoppenbrouwers, 2001, De indeling van de Nederlandse streektalen, Dialecten van 156 steden en dorpen geklasseerd volgens de FFM, Assen: van Gorcum, website
  • Uwe Ludwig, Thomas Schilp (red.) 2004: Mittelalter an Rhein und Maas. Beiträge zur Geschichte des Niederrheins. Dieter Geuenich zum 60. Geburtstag (= Studien zur Geschichte und Kultur Nordwesteuropas 8). Münster/New York/München/Berlin: Waxmann.
  • Jan De Maeyer, Wolfgang Cortjaens, Tom Verschaffel (red.) 2008: Historism and Cultural Identity in the Rhine-Meuse Region. Tensions between Nationalism and Regionalism in the Nineteenth Century / Historismus und kulturelle Identität im Raum Rhein-Maas. Das 19.Jahrhundert im Spannungsfeld von Regionalismus und Nationalismus. Leuven: Leuven University Press (= KADOC-Artes 10).
  • Arend Mihm 1992: 'Sprache und Geschichte am unteren Niederrhein', in: Jahrbuch des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, 88-122.
  • Arend Mihm 2000: 'Rheinmaasländische Sprachgeschichte von 1500 bis 1650', in: Jürgen Macha, Elmar Neuss, Robert Peters (red.): Rheinisch-Westfälische Sprachgeschichte. Köln enz. (= Niederdeutsche Studien 46), 139-164.
  • Jos. Schrijnen, 1902, Benrather-, Uerdinger- en Panningerlinie. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21. E.J. Brill, Leiden 1902.
  • Jos. Schrijnen, 1907, Taalgrenzen in Zuidnederland. - het Mich-kwartier. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26. E.J. Brill, Leiden.
  • Helmut Tervooren 1998: 'Die sprachliche Situation am Niederhein im 16. bis 18. Jahrhundert', in: Dieter Geuenich (red.), Der Kulturraum Niederrhein', Bd. 1: Von der Antike bis zum 18. Jahrhundert, 2. Aufl., Bottrop / Essen, 27-42.
  • Helmut Tervooren 2005: Van der Masen tot op den Rijn. Ein Handbuch zur Geschichte der volkssprachlichen mittelalterlichen Literatur im Raum von Rhein und Maas. Geldern: Erich Schmidt.
  • Georg Wenker, 1877, Das Rheinische Platt (Herdrukt in: Sammlung deutsche Dialektgeographie Heft 8, Marburg, 1915).
  • Leo Wintgens, 1998, Et Hat van os Plat, Montzen website.

Externe links

Persoonlijke instellingen