Leengoed

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Een speciale categorie bezittingen wordt gevormd door de zogenaamde leengoederen, dit als tegenstelling tot vrije goederen of allodia. Het leenstelsel, ook wel feodaal stelsel genoemd, ontstond in de middeleeuwen toen grondbezit, ambten en rechten in leen werden gegeven in ruil voor bepaalde diensten. Het leen of feodum werd te leen gegeven door de leenheer, die in boeken, de zogenaamde leenregisters, nauwkeurig door de leenkamer liet bijhouden wat met zijn goederen gebeurde. De leenkamer bestond uit enkele personen die speciaal met leenzaken belast waren. In ruil voor de belening, waaraan allerlei met name financiële voordelen verbonden waren, verplichtte de leenman of vazal zich aanvankelijk tot het verrichten van bepaalde diensten, zoals krijgsdienst in tijd van nood.

Bij de belening, ook wel leenverheffing of relief genoemd, moest de leenman de eed van hulde en trouw aan de leenheer afleggen. Hiermee was het leen verheven of gereleveerd. In sommige gevallen, zoals bij minderjarigheid van de leenman of wanneer een vrouw of klooster beleend werd, kon de eed, afgelegd ten overstaan van minstens twee andere getuigende leenmannen, gedaan worden door een plaatsvervangende hulder.
Op bepaalde momenten, bijvoorbeeld bij een wisseling van leenheer of leenman, kon een denumbrement worden opgemaakt van alle goederen en rechten die tot het leengoed behoorden.

Hoewel de belening in eerste instantie voor het leven was, werd deze in de loop van tijd als erfelijk beschouwd en raakten bepaalde verplichtingen in onbruik of op de achtergrond. Zo werden veel verplichtingen in de loop van de middeleeuwen vervangen door een bedrag in geld, het zogenaamde heergewaad. Hiermee bedoelde men aanvankelijk de krijgsuitrusting, maar gaandeweg raakte deze betekenis in vergetelheid.

De leenheer liet de meeste zaken voor zich regelen en bemoeide zich slechts bij uitzondering zelf met de leenzaken. De belening werd dan ook meestal geregeld door een stadhouder (plaatsvervanger) en werd genoteerd door de leengriffier. Rechterlijke procedures en andere zaken die het leengoed aangingen, werden niet door de schepenbank behandeld, maar door de desbetreffende leenkamer of een speciaal hiertoe ingesteld leenhof. Wilde een leenman een leengoed verkopen, dan was hiervoor toestemming nodig van de leenkamer.

Het leenstelsel werd in onze omgeving afgeschaft met de komst van de Fransen aan het eind van de 18e eeuw. De Nederlandse Staat bepaalde in 1801 en 1805 dat het leenrecht was afgeschaft en dat de leenheren schadeloos zouden worden gesteld.

Persoonlijke instellingen