Jood

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Joden in Limburg

Dit artikel richt zich met name op de joodse geschiedenis in Limburg, maar voor een goed begrip kan de situatie in overig Nederland en Europa niet buiten beschouwing blijven.

Inhoud

Geschiedenis

De geschiedenis van de joden in Nederland wordt vaak onderverdeeld in drie perioden:

I. De periode tot het rampjaar 1349.

II. De periode van circa 1400 tot de Franse Tijd.

III. De Franse tijd tot heden.

I. De periode tot het rampjaar 1349

De eerste joden zijn waarschijnlijk als kooplieden, handelaren e.d. met de Romeinen meegetrokken naar Gallië en het Rijngebied. Het oudst bekende “Judenviertel” is dat van Keulen (± 331 na Chr.), terwijl Parijs in 582 al een synagoge had. Daarna worden joodse vestigingen gemeld in Metz (888), Mainz (906), Keulen (1012) en Trier (1066).

Na vermeldingen in diverse Belgische plaatsen vanaf 1220, wordt betreffende Limburg in Keulse bronnen voor 1270 een jood Samuel ben Juda de Herle vermeld, en vanaf 1275 een Iacobus de Ruremunde. In een Maastrichtse schepenbrief uit 1295 wordt de platea Judeorum (Jodenstraat) vermeld, die duidt op een vestiging van enige omvang. Ook de Jodenstraat in Elsloo en die in Geleen worden al in de Middeleeuwen vermeld. In 1325 duikt de eerste vermelding van joden in Gelderland op, waarna al vrij snel gegevens volgen uit Holland, Utrecht, Zeeland en Overijssel. Uit de drie noordelijke provincies zijn in de eerste periode geen gegevens bekend. In Venlo werden aan de Jodenstraat in 2004 de resten opgegraven van wat een rituele joodse wasplaats (Mikwe) uit circa 1340 zou zijn geweest (of dit daadwerkelijk een mikwe was werd later echter betwijfeld).

De toename van het aantal joden in Nederland in de eerste helft van de 14e eeuw laat zich verklaren uit het feit dat de jodenbuurten van o.a. Keulen, Worms en Mainz overbevolkt raakten (met als gevolg een trek naar het oosten en het westen) en uit het feit dat de joden in 1290 uit Engeland en in 1306 uit Frankrijk verdreven werden.

Het was vooral de katholieke kerk die tegen de "moordenaars van Jezus" in de loop der Middeleeuwen steeds meer maatregelen afkondigde om de bewegingsruimte van de joden en hun kontakt met de katholieke bevolking te beperken. Zo werd in 1215 op het Concilie van Lateranen bepaald dat de joden als kenteken een spitse hoed moesten dragen.

Doordat de verschillende beroepen verenigd waren in gilden, organisaties met een sterk religieus karakter, bleef er voor de joden weinig anders over dan de handel in tweede hands goederen of het optreden als geldschieter.

Vanaf de eerste kruistocht in 1096 werden op tal van plaatsen in Europa joodse gemeenschappen aangevallen en uitgemoord of verdreven. In Born zou in 1309 door bendes die een kruistocht wilden organiseren (sommige auteurs spreken echter van flagellanten, rondtrekkende geselbroeders), zelfs het kasteel zijn afgebrand, nadat daar 110 of 120 joden uit de omgeving hun toevlucht hadden gezocht bij de vertegenwoordiger van de landsheer, Jan van Valkenburg. Het staat overigens niet vast of dit Born bij Sittard was of een Born in Duitsland.

In 1346 en 1347 heerste er in Europa een grote hongersnood ten gevolge van het mislukken van oogsten. Toen bovendien in 1348 de pest uitbrak in Europa zocht men een object op zich op te wreken. Waren dit eerst de verminkten en de melaatsen, al vrij spoedig werden de joden als de boosdoeners gezien, die de waterbronnen vergiftigd zouden hebben. Voor de grote massa was het feit dat de joden immuun leken voor "de Zwarte Dood" het beste bewijs van hun schuld. Dat dit kwam door de betere hygiëne bij de joden wist men destijds niet. Wederom werden daarom in 1349 hele joodse gemeenschappen uitgemoord. Gegevens over deze ramp zijn opgetekend in de Nürnberger Memorbuch, een joodse gedenkboek waarin slachtoffers herdacht worden. Born, Sittard en Susteren werden vermeld als plaatsen waar tussen 1096 en 1349 joden werden vermoord, evenals in België Hasselt, Leuven, Brussel en Sint Truiden. Sommigen ontkwamen door bekering tot het christendom aan vervolging, zoals wellicht het geval was met de familie van de klokkenluider van de St. Servaas te Maastricht, die begin 15de eeuw vermeld werd als "Johannes van Sittert, den men heydt Johannes Judei".

Het rampjaar 1349 kan beschouwd worden als de afsluiting van de eerste periode van het Europese jodendom.

II. De periode van circa 1400 tot de Franse Tijd

Na 1349 woonden er praktisch geen joden meer in Nederland, maar al vrij spoedig kwamen vanuit Westfalen weer joden naar hier. Te Roermond werd bijv. in 1369 weer een jood vermeld. De haat tegen de joden was echter nog diep geworteld, hetgeen o.a. tot uiting kwam in de aparte wijken voor de joden en het verplicht dragen van het zgn. jodenteken (een "silveren Joedenhoede").

Toen omstreeks 1500 alle joden uit de Duitse rijkssteden werden verjaagd, trokken de meesten van hen naar het oosten en vestigden zich o.a. in Polen, Bohemen en Hongarije. Anderen probeerden zich, al trekkend tussen de verschillende steden, met handel in leven te houden. Ook in Nederland verjoegen de meeste steden hun joodse inwoners, waarbij sommigen zich door doop aan de vervolgingen onttrokken. Kort na 1500 waren de joden dan ook weer bijna overal uit ons land verdwenen.

Eind 15de en in de 16de eeuw nam de vervolging van joden in Europa verder toe door enerzijds de Spaanse inquisitie en anderzijds de anti-joodse houding van kerkhervormer Maarten Luther. Zo werden joden (en protestanten) verdreven uit de Brabantse (Spaanse) gebieden, waartoe ook een groot deel van Zuid-Limburg behoorde. In de calvinistische Hollandse gewesten zouden de joden vanaf 1600 een toevluchtsoord vinden, en ook in de Staatse Landen van Overmaas werd joodse vestiging op verschillende plaatsen toegestaan.

In de zuidelijke Nederlanden verbleven joden soms kortstondig als handelaar, en na 1700 stonden sommige steden vestiging van enkele joodse gezinnen toe. Een jood te Antwerpen werd zelfs burgerrechten verleend. In 1756 werden 76 joden geteld: 21 gezinshoofden in Brussel, 4 in Antwerpen en 1 in Gent, met hun vrouwen en kinderen. Stadhouder Karel Alexander wilde toen met name armlastige joden weren en bepaalde dat alle joden jaarlijks 300 gulden moesten betalen aan de keizer of anders het land verlaten. Het stadsbestuur van onder meer Brussel kwam daartegen in verweer, omdat de joden dat bedrag niet konden opbrengen. Ook de bepaling dat joodse handelaren er slechts 48 uur mochten verblijven wezen ze af als veel te kort. Door de grote mate van zelfbestuur kon de stadhouder zijn beleid niet opleggen aan de steden. Er trokken gestaag meer joden naar de zuidelijke Nederlanden. Door de afwezigheid van beschermbrieven en speciale belastingen was het gebied ook voor arme Joden aantrekkelijk, zeker nadat de verlichte keizer Joseph II in 1781-1782 het tolerantie-edict (patent) uitvaardigde dat godsdienstvrijheid garandeerde. In 1786 telde Brussel ongeveer 100 joden, en ook in Maastricht werden enkele gezinnen toegelaten. Aan het begin van de Franse Tijd woonden er enkele honderden joden in het land.

Buiten de Brabantse gebieden zijn de gegevens over joodse vestiging in de 16de en 17de eeuw erg schaars en fragmentarisch, en blijkt hun aanwezigheid even vaak uit verbodsbepalingen en verdrijvingen als uit vergunningen tot verblijf. Joodse archieven uit deze tijd, laat staan bevolkingsadministraties, zijn nauwelijks voorhanden.

Enkele gegevens voor Sittard en het Ambt Born in het Land van Gulik:

  • In 1514 werd in Gulik door Hertog Johann III bepaald dat de joden een gele ring op hun kleding moesten dragen. Tot het Land van Gulik hoorden onder meer Sittard, Munstergeleen en Born. Volgens een Sittardse kroniek uit 1725 bestond er 200 jaar eerder al een joods gebedshuis (synagoge) in de Plakstraat. De gemeenschap zou circa vijf gezinnen afkomstig uit Krefeld betreffen. De hertog van Gulik verbood in 1554 joden zich in zijn land op te houden, maar het is zeer de vraag in hoeverre hieraan gehoor is gegeven. In elk geval werd vanaf 1582 te Sittard weer een groep joodse slagers vermeld.
  • In 1595 gelastte de hertog het vertrek van alle joden uit zijn land, zowel die met als zonder vrijbrief (Geleitschein), waarvan weer lijkt of hier hooguit ten dele aan werd voldaan; op 14 februari 1597 verscheen in Düsseldorf een politieverordening voor Jülich, Cleve en Berg volgens welke in geen der landen of dependentiën aan joden, die niet gedoopt waren, zouden worden toegelaten, verlof tot verblijf of een vergunning zou worden verleend. In 1608 werden deze bepalingen nog eens herhaald. Het aantal joden te Sittard lijkt in die tijd te zijn afgenomen. Vanaf 1620 woonde een Wolf Vernasses (ook als Servaesen vermeld) te Sittard, die in 1624 een Geleitschein ontving, vanaf 1633 gevolgd door nog een joods gezin. In 1625 werd tevens een jood Moyses vermeld.
  • In 1636 kregen de joden onder beperkende bepalingen tegen een hoge belasting opnieuw het recht van verblijf en uitoefening van hun beroep in het Hertogdom Gulik. Er werden weer Geleitscheine uitgegeven. De joden die deze niet kregen waren de unvergleitete joden en deze werden als pack of betteljuden het land uitgejaagd (volgens hertogelijke verordening uit 1669). Geleitscheine werden uitgegeven in: 1636, 1648 en 1660, voor 12 jaar; 1671, 1677 en 1683, voor 6 jaar; 1689, 1705, 1720, 1734, 1747, 1763 en 1779, voor 16 jaar, geldig tot 1795 (maar in 1794 kwamen de Franse troepen).
  • Een gedetailleerd rapport over Sittard uit 1647 maakte helemaal geen melding van joodse inwoners, terwijl er zo'n tien jaar later weer vier joodse gezinnen worden vermeld. In 1658 werd een jood Joseph vermeld die vensters repareerde.
  • In 1671 gelastte de keurvorst van de Pfalz als Hertog van Gulik wederom dat alle joden binnen zes maanden het land moesten hebben verlaten. In 1693 werden als inwoners van Sittard met Geleidbrief vermeld Isack Heijmans, David Moijses, Levie Jacob, Isack Moijses en Isack Jacobs, naast Isack Juden te Urmond. Isack Juden vestigde zich rond deze tijd te Urmond, en werd stamvader van de latere familie Silbernberg te Sittard.
  • Van 1715 dateert de oudste grafsteen op de joodse begraafplaats op Fort Sanderbout, en in 1725 werd met toestemming van de hertog een huissynagoge in de Molenbeekstraat ingewijd. Vanaf het begin van de 18de eeuw was er een stabiele joodse gemeenschap in Sittard, die bij de komst van de Fransen tot 44 personen was uitgegroeid, verdeeld over acht huishoudens. Hiertoe behoorden de families Hertzdahl, Horn, Hertz, Egger en Levenbach.

Gegevens over andere plaatsen:

  • In 1526 werd nabij Hoensbroek een Jodengrubbe vermeld, die zou wijzen op een veel door joden gebruikte handelsroute tussen Aken en Sittard.
  • In 1544 liet men in Nijmegen en Venlo, en in 1545 in Roermond weer enkele joodse gezinnen toe, en omstreeks die tijd zien we ook joodse inwoners in o.a. Grave en Bommel. In 1556 echter werden alle joden gesommeerd het Gelderse gebied te verlaten (herhaald in 1570).
  • In 1629 werden de joden uit Aken verdreven.
  • In Beek vestigde zich rond 1686 Meyer Joseph, die in 1712 als slager werd vermeld. Zijn dochter Helena werd in 1712 te Maastricht terechtgesteld wegens moord. In 1773 werd te Beek eveneens terechtgesteld Abraham Nathan, die van lidmaatschap van de Bokkerijders was beschuldigd. Hij was stamvader van de Beekse en Obbichtse familie Claessens. Rond 1740 woonden er drie joodse gezinnen in Beek, waaronder de familie Benedict; in 1794 was het aantal gegroeid tot twaalf gezinnen.
  • In Maastricht werden over het algemeen geen joden toegelaten tussen de Middeleeuwen en de komst van de Fransen, maar voor joden die economisch voordeel brachten werden uitzonderingen gemaakt. Twee Portugese joden, Madacho en Periera, verzorgden vanaf 1692 vanuit Maastricht de proviandering van het Staatse leger, waarvoor ze geloofsgenoten inschakelden, en zo de vestiging van joden in de omgeving (o.a. Eijsden en Meerssen) stimuleerden. In 1750 kreeg pelshandelaar en bankier Benedict Simon verlof om zich in de stad te vestigen, in wiens huis aan de Markt in 1782 de eerste openbare synagogedienst werd gehouden. Met de komst van de Fransen werd de joodse gemeenschap echter pas officieel erkend. In 1760 was de familie Coopman waarschijnlijk de eerste die zich voor vast in Maastricht vestigde.
  • In Meerssen werd in 1693 voor het eerst melding gemaakt van een joodse slager, en vanaf 1715 was een joodse begraafplaats te Geulbrugge in gebruik. In 1723 en 1726 werd een Meester Bernard de jood vermeld, en in 1772 Levie Soesman, in wiens huis in 1780 synagogediensten werden gehouden. Eind 18de eeuw was de Meerssenerbende aktief, die vanuit Meerssen roofovervallen in het Rijnland en Eupen uitvoerde, en die voor driekwart uit joden bestond.
  • In Eijsden woonden joden die in Maastricht niet werden toegelaten. In 1718 werd hier een zekere Eliazar vermeld, en nadien het gezin van Alexander Cean, een succesvol kaashandelaar, alsook de handelaren Isaak Créange en Calmer Medez. In 1782 werd de -nog bestaande- synagoge door Abraham Coopman gesticht.
  • In Heerlen werd in 1704 de vleeshouwer Levi Samuel vermeld en in 1713 Meerten Nathans. In 1726 woonden er zes joodse gezinnen en was er een huissynagoge.
  • In Valkenburg vestigde zich in 1725 de stoffenhandelaar Anselmus Salomon Vallabrega uit Bordeaux. In 1796 werden er synagogediensten gehouden in een huurhuis aan de Beekstraat.
  • In Gulpen werden vanaf 1747 joden vermeld, waaronder Jozef Hertog, en vanaf 1778 de handelaar Levi Moses. In 1786 werden er ten huize van Herts Hertog synagogediensten gehouden.
  • Ook in Grevenbicht, Limbricht, Schimmert en Vaals woonden voor de komst der Fransen al enkele joodse families.
  • Gelderse steden als Roermond en Venlo lieten in de 17de en 18de eeuw geen joden toe.

Joodse begraafplaatsen in Limburg

overgenomen uit Wikipedia

Plaats Straat Aantal grafstenen Toegankelijkheid
Beek Putbroekerweg 19 Afgesloten
Eijsden Cramignonstraat 291 Sleutel halen
Gennep Davidstraat 27 Afgesloten
Grevenbicht H.-Kruisstraat 12 Vrij toegankelijk
Gulpen Rijksweg 21 Vrij toegankelijk
Heerlen Algemene Begraafplaats, Akerstraat 67 Tijdens openingsuren
Heerlen Stationsstraat n.b. Niet toegankelijk, particulier bezit
Maastricht Algemene Begraafplaats, Tongerseweg 332 Tijdens openingsuren
Meerssen Tussen de Bruggen 67 Afgesloten
Roermond Kapellerlaan 6 Tijdens openingsuren
Roermond Kapellerlaan 97 Tijdens openingsuren
Schimmert Kleverstraat/ Kleverbergweg 4 Vrij toegankelijk
Sittard Algemene Begraafplaats, Lahrstraat 86 Tijdens openingsuren
Urmond Kloosterpad 1 Vrij toegankelijk
Vaals Tentstraat 16 Vrij toegankelijk
Valkenburg Algemene Begraafplaats, Cauberg 26 Tijdens openingsuren
Valkenburg Van Meijlandstraat 2 Afgesloten
Venlo Ganzenstraat 77 Sleutel halen
Venlo Kerkhofstraat 8 Sleutel halen


Zie ook

Synagoge

Externe links

Persoonlijke instellingen