Hof Tgen Raede

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
De hof Tgen Raede was een leengoed van de graven van Bentheim.

De verdwenen Hof tgen Raede of Rayerhof in Beesel was een omgrachte boerenhoeve. Dit leengoed van de graven van Bentheim bestond reeds in de 13e eeuw. Bentheim was een graafschap dat - net als het graafschap en later hertogdom Gelre waaronder Beesel ressorteerde - behoorde tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits.Via een huwelijk in 1421 kwam het graafschap Bentheim samen met het graafschap Steinfurt in één hand. In het archief van graven van Bentheim en Steinfurt bevinden zich enkele oude akten met betrekking tot de Beeselse goederen maar het is onbekend hoe en wanneer de kasteelboerderij eigendom werd van Bentheim. De boerderij, omgeven door een weermuur van mergelblokken, was gelegen langs de Bussereindseweg tegenover de Molenweg.

Van Wildenrade (Von Wildenrath)

De oudst bekende leenman was Emont van Wilderade. In 1361 wordt hij voor het eerst vermeld als 'knape'. Op 1 augustus 1368 werd hij beleend met den goede toe Besel geleghen ten Raede en met de hof Ooijen bij Broekhuizenvorst. In een belastinglijst uit 1369 wordt hij onder Beesel aangeslagen voor de maximale acht pond. Vermoedelijk was hij familie van de ridders Willem van Elmpt en Johan van Kessel. In 1381 bezegelde een zekere Wynricus van Wildray een akte waarbij Eva van der Masen haar aandeel in een huis te Beesel verkocht aan haar neef Peter van de Masen. Dezelfde Wynricus van Besel was enige tijd leenman van het Gelderse leengoed genaamd Alphen onder Echt, dat later vererfde op Ritschart van der Biessen. In 1427 verkochten Rytsart van der Biesen en zijn vrouw Fya van Wildenraide cijnsrechten op land te Rijkel aan het klooster Maria Weide te Venlo. Ook was de familie Van Wildenrade waarschijnlijk leenman van de hof Oyen bij Broekhuizenvorst. In 1439 ontving Ritzken van den Biessen van zijn vrouw Fye van Wildenrade het vruchtgebruik van haar aandeel van het goed dat Derck van Wildenrade eerder van de hertog van Gelre had ontvangen. Derck droeg de hoff tot Oen in 1449 over aan zijn zoon Evert. Evert van Wilderade verkocht zijn deel van het leen genaamd Besel (d.w.z. Alphen onder Echt) in 1484 aan Willem van Vlodorp. Als Byssel wordt dit leengoed in 1527 voor het laatst in de leenakteboeken vermeld.

Van Kenswilre (Von Kinzweiler)

Tijdens een opgraving in 1987 werd een gedeelte van de weermuur uit mergelblokken blootgelegd.

Op 25 juli 1404 verklaarde Rykalt van Kenswilre dat hij door graaf Bernard I van Bentheim was beleend met de hof te Oyen en den gude to Besel gheheten tgheon Rade, inclusief de daarbij behorende visrechten, de rechtspraak, de tienden van Besel en het recht van voordracht van de pastoor. Tevens werd hij beleend met de goederen die Tilman van den Broke eerder namens ridder Derick van Gronowe in leen had gehouden, en de rechten die na het overlijden van Emond van Wilderade weer aan Bentheim waren teruggevallen. Omdat Rikalt in 1389 schepen was van Roermond, zal hij ook in deze stad gewoond hebben. Een jaar later werd hij door de hertog van Gelre beleend met de gruit (monopolie op kruiden voor de bierbrouwerij) van Roermond, een recht dat in 1359 eigendom was van zijn aangetrouwde oom Robijn van den Gruithuis. Rikalt was getrouwd met Margaretha, een nichtje van Robijn. Margaretha's andere ooms Gysbrecht, Dirk en Willem gaven in 1390 toestemming voor de belening. Rikalt was vrijwel zeker in 1396 eigenaar van de zogenaamde Rykaltsmolen op de Roer gelegen. In 1406 deed hij afstand van zijn rechten op de gruit. Hij overleed ongeveer vier jaar later. Zijn weduwe bleef tot zeker 1416 eigenaresse van de watermolen in Roermond. Of zij ook het vruchtgebruik van de hof Tgen Raede behield, is onbekend, maar volgens Gelders landrecht zal zij hierop recht hebben gehad. Op 12 maart 1410 werd Wilhelm van den Gruythuysse na het overlijden van Rijkalt van Konswylre beleend met de gruit van Roermond. Het huwelijk van Rykalt en Margaretha was waarschijnlijk kinderloos gebleven en het Bentheimse leengoed Tgen Raede viel vermoedelijk opnieuw terug aan de graven van Bentheim.

Van Holtmeulen

In 1410 werd Oele van Holtmolen door graaf Bernhard beleend met onder andere de hoven Tgen Roede en Ten Broke met toebehoren te Beesel. Over de persoon van Oele bestond lange tijd onduidelijkheid, temeer daar deze voornaam uitsluitend in deze ene akte voorkomt. Vrijwel zeker betreft het Otto van Holtmeulen, via huwelijk met Elisabeth van Tegelen sinds 1394 heer van die plaats. In 1406 werd hij bovendien beleend met de Puteyck (de Putting) bij Kessel. Dit echtpaar had zeker vijf zonen: Johan, Vulling, Hendrik, Engelbrecht en Gaidert. In een akte van 1 oktober 1428 worden ze gezamenlijk als broers genoemd.

Wapen Van Holtmeulen.

Johan erfde het kasteel in Tegelen. Hij trouwde in augustus 1424 met Christina van der Horst en had een zoon Otto.
Johan's broer Vulling was getrouwd met Gudula van Herkenbosch. Het feit dat hij de helft van de tol van Kessel bezat die eerder van de weduwe van Rikalt van Kenswilre was, suggereert dat de belening van de familie Van Holtmolen met de hof Tgen Rade mag worden gezien als een erfkwestie. Hun zoon Johan wordt in 1472 en '73 vermeld. Hij was o.a. leenman van de Hagerhof genaamd Wylre onder Venlo en was gehuwd met Agnes Roevers; hij overleed rond 1519.
Hendrik was pastoor van Tegelen. Gaedert en zijn zonen Otto en Egbert worden genoemd in een akte uit 1469.

Grote afwezige in de meeste akten is Engelbert. Op 6 mei 1444 beleende hij het klooster Maria Weide (eigenaar van de Klerkenhof) met enkele bunders land te Rijkel. In 1462 wordt de kasteelboerderij in Bussereind vermeld als Raederhof. De Pondschatting uit 1468 vermeldt Johan van Holtmolen als belastingbetaler onder Beesel.
In september 1472 sloot Engelbert van Holtmolen een akte van huwelijksvoorwaarden met Isabella von Mulrade bijgenaamd van Boickholt, dochter van Gerard van Mulrade en diens vrouw Berte. In ruil voor de ingebrachte molen aan de Haricksee (Dld.) moest Engelbert o.a. zijn schoonouders een lijfrente geven en beloven dat hij de godslamp in de kerk van Lobberich zou onderhouden. Om deze verplichtingen te waarborgen werd de watermolen als onderpand gesteld. Engelbrecht bracht de hof Tgeen Raide, enkele tienden, zijn gedeelte van de steijl op de Maas met de visserij, de oeverste moele toe Offenbeeck (Ronckenstein), de Oebucher Camp, Smeetz guet met toebehoren aan de Mortel gelegen, plus nog wat kleinere landerijen in het huwelijk. Zoals gebruikelijk werd de akte door familie van twee zijden ondertekend, namelijk door Gadert Agrijss, Ott van Holtmoelen, Wilhelm van Scholer, Peter van den Hemersbergh en Isabella's broer Johan van Mulraede. Op 29 mei 1477 beloofde Engelbrecht van Holtmullen dat hij zijn neef Otte van Holtmullen schadeloos zou houden wegens een voor hem gedane belofte en borgstelling tijdens de overdracht van de helft van drie tienden aan Heinrick Kellener. Isabele van Boickholt verklaarde een dag later nog eens apart dat de broers Jan en Goddart van Holtmuelen en haar zwager Ott of Oete van Holtmuelen geen schade zouden ondervinden van deze borgstelling. Op 5 juni 1486 werd Maes Lucken in ruil voor een jaarlijkse erfpacht van 2 malder rogge door Engelbrecht en Ysebeel beleend met de moelen gelegen tot Offenbeeck. In 1503 werd Gaedert, de zoon van Maes Lucken, door Johan van der Locht als voogd van jonker Otte van Holtmolen beleend. Het is onbekend hoe lang Otte leenman bleef van Tgen Raede.

Hij werd opgevolgd door Sybert van Holtmullen. Samen met zijn vrouw Helwich van Brockhuysen kocht deze op 22 mei 1506 alle Tegelse goederen van Johan van Holtmullen Vullingszoon en Agnes Roevers, namelijk de Munt, de hof Ghen Bonghart en hun aandeel in de tienden en in het Vullinghhuijs. Doordat hun dochter Guede van Holtmuelen kloosterlinge werd in de Munsterabdij, weten we ook dat zij een broer Johan en twee zussen Appolonia en Golant had. Haar broer Gerard wordt echter niet in de sterfregisters genoemd. In 1527 werd Gerard of Geridt van Holtzmollen door graaf Everwyn van Bentheim beleend met de hoff to Oye, Tghen Raede met toebehoren en alle verdere rechten, die eerder van zijn vader wijlen Sybert van Holtzmollen waren geweest en na diens overlijden aan Bentheim waren teruggevallen. Op 22 maart 1537 legde hij de leeneed ten behoeve van graaf Arndt van Benthem nogmaals af. In 1540 verkochten Geraert van Holtmoelen en zijn vrouw Elyzabeth van Ympell een jaarrente gevestigd op de hof genaamd den Bongart bij de Munt in Tegelen gelegen. In 1577 werd de Munt bewoond door Willem van Holtmeulen. Op 17 juni 1544 beleende Gerat van Holtmolen Maes van Runckensteynn met de molen van Ronckenstein. Op 13 november 1549 bezegelde jonker Gerart van Holtmulen op ter Munten een verklaring inzake een doodslag in het Meerlebroek.

Vermoedelijk hadden Gerard en Elisabeth een zoon Walrave en enkele dochters. Een van de dochters (waarschijnlijk Agnes) werd non in het klooster Daelheim nabij Vlodrop. Dochter Helwich trouwde met Johan van Holthuysen, erfgenaam van de hof Tgen Broeck, die slechts op een steenworp van Tgen Raede lag. In 1570 voerde van Holthuysen een proces tegen zijn zwagers Wilhelm van Lynssenich en Seger van der Horst, eveneens getrouwd met dochters van Gerard van Holtmolen en daardoor voor respektievelijk 1/8 en 1/16 deel medeeigenaren van de boerderij onder Biessel genant Tgen Raede. De problemen ontstonden doordat Van Holthuysen zonder hun medeweten een nieuwe pachter had aangesteld en bovendien een aantal bomen rond de boerderij had laten kappen en verkopen. Tijdens Johan's afwezigheid stuurden Van Lynssenich en Van der Horst op hun beurt paard en kar naar Beesel, lieten ook bomen kappen en verkochten deze ter plekke, terwijl zij het restant lieten afvoeren over de Maas. De ruzie liep uiteindelijk zo hoog op dat pachter Geiss van den Kamp officiële bescherming aanvroeg bij de drost van het land van Montfort en Kessel. Uiteindelijk kwamen beide partijen dankzij bemiddeling door Johan van Eill tot Baerlo, Wilhelm van Merwich tot Kessel en Jacob von der Pfortzen, stadhouder te Kempen (namens Van Lynsenich en Van der Horst) en Dietrich van Houlthousen tot Leuth, de rechtsgeleerde Leonart Van Stalbergenvon Stalbergen en Jorgen Kreckelman, rentmeester van het land van Bruggen (namens van Holthuysen) op 26 mei 1570 tot een vergelijk. Door de drie betrokkenen werd een nieuw pachtcontract opgesteld, Van Holthuysen beloofde 150 eiken te planten en de tiende, die nu samen met de boerderij verpacht was, zou bij opbod openbaar verpacht worden.

Verval en sloop

De ligging van de verdwenen hof Tgen Raede, aangegeven op een kaart door landmeter J.J. Smabers (1781). Linksboven kasteel Nieuwenbroeck.

In het midden van de 16e eeuw verloor de boerderij haar rol als middelpunt van het Bentheimse leengoed. Aanleiding hiervoor was de bouw van kasteel Nieuwenbroeck, aan de overzijde van de Huilbeek. Deze nieuwbouw bij de vele eeuwen oudere Broeckerhof betekende tevens het begin van het einde voor de Rayerhof.
Volgens een akte uit ca. 1595 waren de Rayer hoeven met hun huijseren ende schuijren, weyden ende bempden by den Brouck gelegen. In tegenstelling tot de Broeckerhof konden ze een grote hoeveelheid vee bevatten; dit was kort daarvoor nog nodig geweest, toen alle die naburen beesten darop geflucht gewest zindt. De boerderij was op dat moment waarschijnlijk al gedeeld tussen de twee dochters van Johan van Holthuysen. In 1607 was sprake van twee boerderijen gen Ray, respektievelijk eigendom van jonkvrouwe Anna, weduwe Van Baxen, en jonkvrouwe Ermgaert van Holthausen. In de loop van de 17e eeuw verdween de boerderij waarschijnlijk. In 1653 gaf Jonker Gerard van Baexen, de eigenaar van Nieuwenbroeck en eerder ook van de Raijderhoff, aan het Hof van Gelre te Roermond te kennen dat het gemeentebestuur 15 of 16 inwoners had ontboden om een greppel te komen slechten. Van Baexen had deze greppel aangelegd langs de Raijerweg om zo zijn landerijen af te bakenen. In een overeenkomst voor het Hof was bepaald dat hij noch zijn pachter de landerijen van de Raijderhoff zouden mogen bewerken. Daarom had Van Baexen de greppel laten graven en had hij tevens het veehek of valderen over de Molenweg laten weghalen. De eigendoms- en gebruiksrechten van deze eigen weg stonden vaker dan eens ter discussie.

In 1987 en 1988 werden tijdens twee korte opgravingen resten blootgelegd van de Rayerhof, waaronder een weermuur opgetrokken uit mergelblokken.

Literatuur

  • Frans G.J. Geerlings: Het huis Nieuwenbroeck en zijn bewoners (deel 1). In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 6 (1986).
  • Wiel Luys: Archeologische vondsten en opgravingen in Beesel - Reuver - Belfeld - Swalmen (1987-1991). In: Jaarboek Maas- en Swalmdal 12 (1992).

Bronnen