Heerlijkheid

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Tekst in eerste versie gedeeltelijk overgenomen uit de Nederlandse Wikipedia

Een heerlijkheid is een bestuursvorm voortkomend uit een feodale onderverdeling van het overheidsgezag in de middeleeuwen. Zij betreft een gebied waarin een heer exclusieve zakelijke rechten bezat. Deze rechten konden worden doorverkocht, geërfd of geëxploiteerd. De inwoners van dit gebied moesten betalen om gebruik te maken van bepaalde rechten. Bij het aantreden van een nieuwe heer moest veelal een bedrag worden betaald door de inwoners. Voorbeelden van heerlijke rechten: het windrecht (alle graan etc. moest in de molen van de heer gemalen worden tegen betaling), het collatierecht (recht op voordracht benoeming pastoor), duivenrecht (niemand anders mocht duiven houden) en rechtspraak (opbrengst boetes).

De centrale persoon van de heerlijkheid was de eigenaar van die rechten: de heer, vrijheer of erfheer (of vrouwe, vrijvrouwe of erfvrouwe). Het Latijnse woord voor heer, dominus, werd ook wel gebruikt. De heren fungeerden als leenman van een hogere heer. Deze hogere heer kon een hoge edelman zijn, die zelf weer als leenman optrad namens een koning of keizer.

Veel heerlijkheden waren in handen van de adel. Ook regenten schaften heerlijkheden aan, met het doel zich een semi-adellijke status aan te meten. Zij voegden dan vaak de naam van de heerlijkheid aan hun achternaam toe, zoals Deutz van Assendelft, Six van Oterleek, enz. Daarnaast waren veel heerlijkheden in handen van steden. De steden kochten heerlijkheden om zeggenschap te krijgen over het grondgebied rond de stad, bijvoorbeeld om te voorkomen dat de stad economische schade zou ondervinden van tolheffingen.

Inhoud

Feodaliteit

Tot het einde van het Ancien Régime (1795) maakten in sommige streken de dorpen bestuurlijk deel uit van een heerlijkheid. De heerlijkheden waren een uitvloeisel van het leenstelsel, met name het in leen geven van de rechtsmacht door de vorst. Deze gaf zijn bestuurlijk en juridisch recht in leen aan een leenman, vaak als beloning aan een militaire of politieke medestander of vertrouweling van de machthebber. De heer beschikte dus meestal over geheel of een deel van het overstijgend koninklijk gezag, bijvoorbeeld als graaf of hertog. Er zijn echter ook zogenaamde allodiale heerlijkheden, waarbij door de heer geen "leenhulde" was verschuldigd aan de graaf.

Omdat lenen ontstonden uit krijgsdienstcontracten tussen een vazal en zijn leenheer (of suzerein), veelal "manschap" genoemd, was een leen steeds persoonsgebonden. Door de opkomst van professionele legers, kwam dit manschap in onbruik of werd vervangen door oorlogsbelastingen. De persoonsgebondenheid van het leen bleef evenwel voortbestaan. Dit had onder andere tot gevolg dat bij het overlijden van een leenman het leen in principe terugviel aan de leenheer. De eerstgeborene erfgenaam kon de heerlijkheid evenwel behouden, door een procedure van "leenhulde" te volbrengen aan het souveraine leenhof. De nieuwe leenman diende dan een (symbolische) som geld aan zijn leenheer te betalen (het leenverhef). Dezelfde verhefprocedure diende ook gevolgd te worden bij verkoop van een heerlijkheid.

Indien er geen rechtstreekse afstammeling was, konden aanverwanten een recht van naderschap uitoefenen, wat verklaart waarom heerlijkheden eeuwenlang in eenzelfde familiestam verankerd bleven.

Heerlijke rechten

Het bezit van een heerlijkheid mag niet verward worden met het bezit van grond. Het bezit van een heerlijkheid gaf de eigenaar slechts bepaalde rechten. Het kon zelfs voorkomen dat de heer geen grondbezit in zijn heerlijkheid had. Met 'heerlijkheid' werd dan het gebied aangeduid waar die rechten betrekking op hadden. Binnen de heerlijkheid was de heer gerechtigd om lokale overheidsdienaren en gezagsdragers (zoals een meier, baljuw of schout) te benoemen. Met name het benoemen van deze ambtenaar (een soort burgemeester, politiecommissaris en kantonrechter in één persoon verenigd) gold als een belangrijk recht, aangezien dit inkomsten (uit rechtspleging en boetes) met zich meebracht. Op zich had de heer het recht zelf als meier of schout op te treden, maar veelal lieten de heren zich vertegenwoordigen door een door hen benoemde schout. Door de controle over het schoutsambt en de lokale rechtspraak, kon de heer zich in 'zijn' heerlijkheid als een kleine potentaat gedragen. Er bestonden nochtans tal van beperkingen. Veelal beschikte de heer slechts over de lagere of middele jurisdictie. De zware geldboeten en lijfstraffen vielen onder de hogere jurisdictie die door grafelijke of hertogelijke ambtenaren werd waargenomen (hoofdschout, hoofdmeier, drossaard, amman). Bovendien diende de heer zich steeds te gedragen naar het plaatselijke gewoonterecht.

Inkomsten

Aan een heerlijkheid waren allerlei economische en zakelijke rechten verbonden, waarbij de heer recht had op een belasting of heffing:

  • Onroerende belastingen: Aan vrijwel iedere heerlijkheid was er een cijnshof verbonden, waaraan iedere cijnsplichtige (d.w.z. de vruchtgebruiker van een grondstuk binnen de heerlijkheid) een belasting moest afdragen a rato van de oppervlakte van het grondstuk. Dit cijnsgeld is te vergelijken met de hedendaagse onroerende belasting. Omdat het bedrag van de cijns niet inflatiegebonden was, werd zij doorheen de tijden vrijwel verwaarloosbaar.
  • Pachtgelden: De belangrijkste inkomstenbron van een heerlijkheid was wellicht het pachtgeld van grondstukken die als landbouwareaal deel uitmaakte van de heerlijkheid.
  • Transactietaksen: Bij de verkoop van een grondstuk binnen de heerlijkheid had de heer recht op een transactietaks (orde van grootte: 5 % op de verkoopsom). In sommige streken noemt men dit recht, de pontpenningen.
  • Heffing op nalatenschappen: Veelal beschikte de heer over het zogenoemde "recht van de dode hand". Dit is een belasting op de nalatenschap van de ingezetenen, meestal met een grootorde van 5% op de verkoopwaarde van het onroerend goed. Soms had de heer ook het recht om het beste stuk uit de persoonlijke bezittingen te kiezen. Afhankelijk van de streek noemde men dit recht "beste kateil" of "beste hoofd" (mooiste dier uit de veestapel), "hoogstoel" (d.w.z. het mooiste meubel uit de inboedel), etc. Dikwijls was er ook een bijzondere heffing voorzien op de nalatenschap van vreemdelingen, inwijkelingen en bastaarden.
  • Tolgelden: aan de grenzen van heel wat heerlijkheden mocht tol worden geheven, hetzij als een soort wegentol, maar ook als belasting van de doorvoer van specifieke grondstoffen (zout bijvoorbeeld) en passage van personen.
  • Banrechten: de ingezetenen waren verplicht gebruik te maken van bepaalde infrastructuur die bij de uitbating van de heerlijkheid behoorde. Een typisch voorbeeld is een banmolen: de landbouwers waren verplicht zich bij deze molen (water- of windmolen) aan te bieden om hun graan te laten malen, uiteraard met een bepaalde vergoeding aan de heer (of in zijn plaats, aan de pachter van de molen).
  • Vorstelijke rechten: windrecht, visrecht, marktrecht waren vorstelijke privileges, doch die dikwijls in leen werden gegeven aan een vazal. Deze bleef ze traditioneel dan ook uitbaten.

Gefeodaliseerde kerkelijke rechten

In sommige heerlijkheden waren er in duistere tijden ook zekere voorrechten opgeslorpt die in principe aan de kerk toebehoorden. Zo kon een heer over het collatierecht beschikken of kon een tiende een feodaal goed geworden zijn. Ook had de heer soms inspraak bij de benoeming van een priester, bijvoorbeeld omdat de parochiekerk zijn eigen kerk was (d.w.z. ooit opgericht door een voormalig bezitter van de heerlijkheid). Reeds tijdens de Hoge Middeleeuwen gaf dit aanleiding tot disputen met de kerkelijke overheid (usurpatie). Ook als gevolg van de Reformatie leidde de bemoeienis van een heer bij de keuze van een predikant tot hevige spanningen tussen hem en zijn onderdanen, met name in plaatsen waar de heer een ander geloof was toegedaan dan de meerderheid van de kerkgangers.

Financieel instrument en statussymbool

Door het geleidelijk wegvallen van de militaire verplichtingen die aan een leen verbonden waren, werd het bezit van een heerlijkheid vanaf de 16e-17e eeuw meer en meer een financieel instrument en tegelijk ook een statussymbool. Aan een heerlijkheid waren veelal uitgestrekte pachtvelden en dikwijls ook een burcht of kasteel verbonden. Daardoor was een heerlijkheid (als buitensteedse residentie) een aantrekkelijke investering voor succesvolle kooplieden en leden van het stadspatriciaat. Met de aanschaf konden ze zich tegelijk een pseudo-adellijk profiel aanmeten.

In de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België) werd het financieel karakter van een heerlijkheid nog geaccentueerd door het Koninklijk Edict van 8 mei 1664. Een adellijke titel werd vanaf dan slechts verleend mits een minimum bedrag aan inkomsten te behalen uit leengoederen:

  • voor een baronie: 6000 gulden;
  • voor een graafschap of markizaat: 12.000 gulden;
  • voor een hertogdom of een prinsdom: 24.000 gulden.

In deze tijd ontstaat dan ook een nieuwe sociale orde, die gebaseerd was op de rijkdom van de titeldragers, maar ook tot doel had de financiële stabiliteit van de voornaamste heerlijkheden te garanderen.

Ridderschap

Met name binnen de adel vormde het bezit van heerlijkheden het leeuwendeel van het bezit van een bepaalde familie. Veel edelen waren sterk aangewezen op het bezit van heerlijkheden, die voor hen een machtsbasis, inkomstenbron en statussymbool vormden. Omdat edelen hun familienaam veelal aan een heerlijkheid ontleenden (denk aan namen als 'Van Wassenaer'), was de heerlijkheid dus ook belangrijk voor het prestige van de familie.

In het gewest Holland was naast adellijke status het bezit van een heerlijkheid ook een voorwaarde voor toetreding tot de Ridderschap, een exclusief adellijk college dat geacht werd het platteland te vertegenwoordigen in de Staten van Holland. Een zetel in de Ridderschap gaf toegang tot allerlei financieel interessante erebaantjes en betrekkingen. Om deze reden 'verzamelden' edelen heerlijkheden, zodat ook hun zonen in staat zouden zijn zitting te nemen in de Ridderschap.

De afschaffing van de heerlijke rechten

De heerlijkheden werden in de Nederlanden opgeheven na de Franse inval van 1795. Ze werden in Nederland afgeschaft door de Bataafse Staatsregeling van 1798. Enkele heerlijke rechten als het jachtrecht en visrecht werden na de Franse periode hersteld als zakelijk recht. Het overgrote deel van die rechten, met name de bevoegdheid om plaatselijke bestuurders (mee) aan te duiden, verdween met de Belgische Grondwet van 1830 en met de herziene Nederlandse Grondwet van 1848. De meeste bestuurlijke functies gingen over op de gemeente en werden geregeld met de nieuwe gemeentewet. De rechterlijke macht werd voortaan door de landelijke overheid geregeld. Het jaar 1923 markeert formeel het einde van de heerlijkheid, omdat in dat jaar door de Jachtwet de laatste zakelijke rechten, voortgekomen uit het fenomeen 'heerlijkheid', werden afgeschaft. Personen die zich nadien 'heer van...' noemden, baseerden dat doorgaans op het bezit van een kasteel of havezate. Strict genomen waren zij echter eenvoudigweg 'kasteeleigenaar' of 'kasteelheer'.

Huis van Oranje

Een persoon met zeer veel titels van heerlijkheden is Koningin Beatrix. Zij is erf- en vrijvrouwe van Ameland, Vrouwe van Baarn, Besançon, Borculo, Bredevoort, Bütgenbach, Daasburg, Geertruidenberg, Heiloo, Hooge en Lage Zwaluwe, Klundert, Lichtenvoorde, Loo, Montfort, Naaldwijk, Niervaart, Polanen, Steenbergen, Sint Maartensdijk, Sint Vith, Soest, Ter Eem, Turnhout, Willemstad en Zevenbergen.

Zie ook

Persoonlijke instellingen