Daelenbroeck

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
De voorburcht van kasteel Daelenbroeck (2011)
Kasteel Daelenbroeck door Jan de Beijer (1744)

Daelenbroeck (later ook: Dalenbroek) is een kasteel te Herkenbosch dat oorspronkelijk dateert uit het begin van de 14e eeuw. Godfried van Heinsberg, de Gulikse leenheer van Wassenberg, kocht in 1311 een aantal gronden van Jan van Asenray in Roermond en besloot in het moerassig gebied ("broeck") van het Roerdal een woon- en jachtslot te bouwen. Godfried van Daelenbroeck maakte in 1361 aanspraken op het Graafschap Loon.
Daelenbroeck was tot 1795 een heerlijkheid met het gelijknamige kasteel als administratief middelpunt. Zij omvatte de plaatsen Maasniel, Asenray, Leeuwen, Herten, Merum, Ool, Melick en Herkenbosch.
Een keerpunt was de 80-jarige oorlog. In 1598 werd het kasteel belegerd en dit betekende het begin van de ondergang van de Hoofdburcht.

Inhoud

Staatkundige geschiedenis

Daelenbroeck was lange tijd een vrije heerlijkheid. Op het einde van de zeventiende eeuw streefde keurvorst Johan Willem van de Palts, als hertog van Gulik naar territoriale afronding van zijn territorium. Hij maakte in dat kader onder meer aanspraken op de heerlijkheid Dalenbroek met de dorpen Herten, Maasniel, Merum, Ool en Leeuwen, alsmede de heerlijkheid Kessenich en Hunsel. Zijn politiek stuitte op bezwaren van de Zuidelijke Nederlanden, die eveneens aanspraak maakten op deze gebieden. Tot 1671 is de souvereiniteit van het gebied onduidelijk, vanaf 1671 kan men deze vrije heerlijkheden rekenen tot de invloedssfeer van Spaans Opper-Gelre en vanaf 1713 onder Oostenrijks Opper-Gelre.

Tijdens de Spaanse Successie-oorlog bleef keurvorst Johan Willem bedacht op territoriaal voordeel. Hij slaagde erin Leopold I en nadien Karel VI aan zich te verplichten, door de Habsburgse zijde te kiezen in het conflict met de Spaanse koning, Filips V, en mocht daarom hopen op Oostenrijkse steun voor zijn territoriale aanspraken.

Door middel van het verdrag van Frankfurt (1711) werd tussen Karel VI en de hertog van Gulik dienaangaande een regeling getroffen, die vooralsnog niet kon worden uitgevoerd. Toen nu in april 1713 Pruisische troepen zich terugtrokken uit de door hen sinds 1703 bezette delen van het Overkwartier, die niet bij het verdrag van Utrecht aan hen waren toegewezen, zag de hertog van Gulik zijn kans schoon, en liet Erkelens door zijn troepen bezetten, alvorens de Republiek der Verenigde Nederlanden erin slaagde er garnizoen te leggen. Erkelens kwam zo als enige voormalige gebied van Opper-Gelre bij Gulik. De aanspraken op Daelenbroek moesten ze laten varen.

Bewoningsgeschiedenis

Eind twaalfde eeuw was Roermond onder gezag van Gelre gekomen. Vanwege de strategische ligging waren de graven van Gelre zeer verguld met Roermond. Even buiten de plaats lag op een lage heuvel een versterking, de verblijfplaats van de voogd (drost). Van daaruit vroeg hij weg- en watertol, die hij afdroeg aan de graaf van Gelre. In dit verband komen we de naam Daelenbroeck voor het eerst tegen. Er zijn tussen 1203 en 1298 vier drosten van Roermond geweest die alle vier Dirk van Daelenbroeck heetten. Het gaat hier om erfvoogdijschap, dat de voogden allerlei rechten en privileges gaf.

Van Heinsberg

De Heerlijkheid Heinsberg was een heerlijkheid in de Nederrijn, die onder andere de stad Heinsberg omvatte met een klein gebied van Limburg tot aan de Maas, dat grensde tot aan het graafschap Loon. De heerlijkheid Dalenbroek met de Limburgse dorpen Herten, Maasniel en Herkenbosch met kasteel Daelenbroeck behoorde tot het gebied.

Gedurende de 12e en 13e eeuw waren de heren van Heinsberg tevens heren van Valkenburg.

Godfried van Heinsberg, leenheer van Wassenberg, kocht in 1310 een moerassig gebied in het Roer-dal van Jan van Asenray en stichtte er kasteel Daelenbroeck. Gedurende de eerste helft van de veertiende eeuw zijn alle geleende gronden en bezittingen van Godfried II samengevoegd tot de vrijheerlijkheid Daelenbroeck. Het gebied rondom Herkenbosch was strategisch van groot belang, want je kon van daaruit de meer zuidelijke handelsroutes naar Roermond controleren. Het gebied waar het kasteel werd gebouwd bestond uit zachte modderige grond van het oude stroomgebied van de Roer. Richting Herkenbosch strekten zich terrassen uit: droge gronden langs moerassige velden. Door de slechte begaanbaarheid van de bodem was het kasteel slechts vanuit de noordkant te benaderen. De heren van Heinsberg hadden nog meer gebied, zoals het graafschap Valkenburg. Enkele familieleden werden aartsbisschop van Keulen en daarmee een van de zeven keurvorsten van het Roomse rijk. De muren van Daelenbroeck zijn gefundeerd op een zandduin. Met de vochtige omgeving werd rekening gehouden, want in de fundering is het vocht-opnemende mergel toegepast. Al vrij snel na de bouw van een ringmuur is begonnen met het realiseren van een woongebouw binnen de muren (omstreeks 1325). De zuid-oostvleugel is gebouwd tussen 1350 en 1375. Een eeuw later werd een ronde toren toegevoegd en daarna werd de noord-westvleugel aangelegd.

De mannelijke lijn van de Heren van Heinsberg stierf met Jan IV in 1448 uit. Omstreeks 1430 was Daelenbroeck in handen gekomen van de achter-achterkleinzoon van Godfried II van Heinsberg, Jan IV van Loon. Jan IV liet hij zijn bezittingen na aan zijn dochter Johanna van Loon-Heinsberg, die huwde met Johan II van Nassau-Saarbrücken. Hun enige dochter Elisabeth trouwde in 1472 met hertog Willem II van Gulik-Berg, waardoor de heerlijkheid Heinsberg Guliks bezit werd.

Van Vlodrop

In 1464 verkocht hertog Willem II het landgoed aan Godert van Vlodrop, die zich heer van Daelenbroeck noemde. Hij was de eerste eigenaar van het geslacht van Vlodrop.

Johan IV Schellaert van Obbendorf, ook bekend als Jan Schellaert van Obbendorf (ca. 1375-) uit het Huis Schellaert, was een zoon van Johan III Schellaert van Obbendorf heer van Gürzenich en Geysteren (-ca. 1368) en Bella (Beatrix/Sybille) van Vercken (-na 1403). Johan IV was ridder, hofmeester van hertog Filips de Goede en heer van Gürzenich en heer van Schinnen van 1403 tot 1450 . In 1403 trouwde hij (1) met Agnes van Vlodrop. Zij was de dochter van Godard II van Vlodrop ridder en erfvoogd van Roermond en Sophia van der Nuerstadt (Nieuwstad). Uit zijn eerste huwelijk zijn 4 kinderen geboren:

  • Johanna Schellaert van Obbendorf, kanunnikes te Munsterbilzen.
  • Anna Schellaert van Obbendorf
  • Bella Schellaert van Obbendorf
  • Johan V Schellaert van Obbendorf heer van Gürzenich en Schinnen. Hij trouwde met Reinera van Meehr. Zij was een dochter van Huibert van Culenborch, heer tot Mehr.

Gerard I van Vlodrop en Willem I van Vlodrop waren de broers van zijn echtgenote. Willem trouwde met Elisabeth van de Wijer en vestigde de familietak Leut, in België. Deze tak kwam in het bezit van het kasteel Daelenbroeck. Gerard I vervolgde de tak erfvoogden van Roermond. Hij trouwde in 1391 met Elisabeth Rode, de dochter van Godart van Schönau. Hij trouwde (2) ca. 1414 met Aleid van Gronsveld (ca. 1380-). Aleida was een dochter van Hendrik II van Gronsveld burggraaf van Limburg, heer van Gronsveld 1386-1404 en heer van Heyden (ca. 1335-1404) die getrouwd was met Margaretha van Printhagen (ca. 1333 - ca. 1380). Uit zijn tweede huwelijk zijn geen kinderen geboren.

Willem van Vlodrop, eigenaar vanaf ongeveer 1475, liet rond 1500 zijn bezittingen na aan zijn zoon Willem. In die tijd raakte het kasteel betrokken bij de twisten tussen de hertog van Gelre en Maximiliaan van Oostenrijk, de keizer van het heilige Roomse rijk. De keizerlijke troepen zijn een tijd gelegerd geweest in 1505 in het kasteel, waar het kasteel toen veel onder te lijden had. Daarna werd een uitgebreide opknapbeurt uitgevoerd in renaissancistische stijl. Er werd besloten om de houten vloeren op de begane grond te vervangen door plavuizen of stenen. Later is dat materiaal geroofd of hergebruikt.

Hattardt van Palland

Bij zijn dood in 1564 had Willem van Vlodrop alleen maar dochters. Zijn dochter Anna trouwde met Hattardt van Pallandt. Zowel de geslachten van Vlodrop, van Palland en de latere van Bronkhorst-Batenburg behoorden tot de groep edelen die praktiserend of sympathiserend protestant was. Ze stonden hagepreken op hun landgoederen toe. Ook in de bossen van Elmpt, een bezit van de van Vlodrops, vonden hagepreken plaats. Balthasar van Vlodrop, een broer van Willem van Vlodrop, gaf onderdak aan de voor de inquisitie gevluchte wederdopers op zijn heerlijkheid Leuth, die buiten de Spaanse jurisdictie lag.

In 1598 werd het kasteel belegerd door Spaanse soldaten, 400 man sterk. Bij overgave werd vrijgeleide toegezegd. Maar iedereen werd afgeslacht en het landgoed werd volledig geplunderd. Op zondag 11 oktober werd de voorhof in brand gestoken en totaal verwoest. Hattardt van Palland was op dat moment niet aanwezig. De Spanjaarden vertoefden nog enige tijd in het kasteel, maar het gebouw raakte vanaf toen in verval. Na de dood van Hattardt liet hij het kasteel ongedeeld na aan zijn beide dochters. Er ontstond tussen zijn schoonzoons een strijd om het kasteel. De familievete, werd pas in 1707 opgelost. Gedeputeerden der Staten-Generaal van de Republiek der Verenigde Nederlanden, waar het gebied tussen 1702 en 1715 onder viel, maakten toen een verdeling.

Van Rollingen

Toen in het jaar 1707 het kasteel uiteindelijk werd toegewezen aan Jan Ernest van Rollingen, was deze door de procesvoering dusdanig berooid, dat er geen geld was om het kasteel volledig te restaureren. Hij besloot in de voorburcht te gaan wonen en begon met de bouw van een achttiende-eeuws kasteel. Hij restaureerde de voorburcht met bouwmaterialen van de hoofdburcht, die tot op de onderste bouwlaag werd gesloopt. De kelders gebruikte hij als voorraadschuur.

De Meer

Na de dood van Van Rollingen werd de vrijheerlijkheid verkocht aan baron Frederik Victor de Meer d'Osen. (In 1801 was een nazaat officier bij de Waalse garde in Spaanse dienst. In 1813 werd deze persoon kamerheer van Koning Willem I). In 1795 intussen was de voorburcht dienst gaan doen als gemeentehuis en burgemeesterswoning (Franse tijd).

Van der Renne

Reinier de Meer kreeg het landgoed in 1821 terug, maar hij verkocht het aan Jan Karel Hendrik van der Renne. De hoofdburcht werd gesloopt en op de plek werd een romantische 19e eeuwse tuin aangelegd. Het kasteel is van 1821 tot 1972 in bezit geweest van nakomelingen van Jan Karel Hendrik. In 1817 werd de familie erkend in de Nederlandse adel en de leden van de familie verkregen de titel van ridder. Zijn achterkleindochter, jonkvrouw Maria Rosalie Hubertine Catharina van der Renne van Daelenbroeck, getrouwd met Marie Josèph Ghislain baron Gillès de Pélichy, verkocht het bezit in 1972.

  • Een andere vrouwelijke telg, jonkvrouw Cécile van der Renne de Daelenbroeck (1878-1949), getrouwd met de Belgische ridder Stanislas Emmanuel van Outryve d'Ydewalle (1871-1959) liet in 1904 het kasteel Tudor in de buurt van Brugge bouwen, volgens eigen plannen, met de hulp van de Belgische baron en historicus Joseph Kervyn de Lettenhove.</ref>
  • Jkvr. Rosalie Cécile Joséphine Michiels van Verduynen (1805-1885); trouwde in 1834 Prosper Marie François ridder van der Renne, heer van Daelenbroeck (1802-1842), adjunct-directeur van de schatkist in Brabant, lid van de familie Van der Renne

De Pelichy

Baron Charles Marie Joseph Ghislain Gillès de Pelichy was de zoon van baron Alexandre Gillès de Pelichy (1884-1926) en barones Savina van Caloen (1850-1921). Hij was de kleinzoon van twee Belgische senatoren, Charles van Caloen en Louis de Pelichy (1798-1876), en de achterkleinzoon van senator en burgemeester van Brugge Jean-Marie de Pelichy van Huerne. In 1901 trouwde hij met Maria van der Renne de Daelenbroeck (1873-1964). Ze hadden elf kinderen.

Huidige toestand

Tot 1999 was in Herkenbosch alleen de voorburcht van kasteel Daelenbroeck bekend en in gebruik. Het landgoed werd in 1972 verkocht aan Pieter Joseph ter Berg, die het in 1992 weer verkocht aan Jerome Dolmans. Deze liet het kasteel volledig bouwkundig en archeologisch onderzoeken en liet op basis van o.a. de 18e eeuwse tekening van De Beier een beperkt gedeelte van hoofdburcht herbouwen, met nog elementen van de middeleeuwse burcht erin verwerkt. Na restauratie van de kelders, zijnde de eerste verdieping van het oorspronkelijke kasteel, werden in 2009 twee hoektorens hersteld, de vierkante en de ronde toren. Recent (2012) is de Overhoekse toren en het Poortwachtershuisje opgebouwd.

Bronnen

Literatuur

Algemeen

  • Jappe Alberts, Prof. dr. W. (1972), Geschiedenis van de beide Limburgen, Deel I (tot 1632), Maaslandse Monografieën nr. 15, Van Gorcum, Assen.
  • Jappe Alberts, Prof. dr. W. (1974), Geschiedenis van de beide Limburgen, Deel II (1632 - 1918), Maaslandse Monografieën nr. 17, Van Gorcum, Assen.
  • Irmgard Hantsche (2003), Geldern-Atlas , Karten und Texte zur Geschichte eines Territoriums, Veröffentlichungen des Historischen Vereins für Geldern und Umgegend Nr. 103, Verlag des Historischen Vereins für Geldern und Umgegend, Geldern.

Specifiek

  • R.J.W.M. Grüben, Daelenbroeck. Bijdrage tot de geschiedenis van Heerlijkheid en Huis. (Delft, 1990)
  • T. Dorrepaal, De heerlijkheid Daelenbroeck.

Externe links

Persoonlijke instellingen