Bakker

Uit Genealogie Limburg Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken

De bakker zorgde vooral in de steden al vroeg voor het dagelijks brood. Het meel hiervoor werd geleverd door de molenaar. In de steden waren de bakkers verenigd in het bakkersgilde of bakkerambacht. Het bakkerambacht in bijvoorbeeld Roermond zat in 1643 zo goed bij kas dat twee meesterbakkers namens het gilde geld leenden aan particulieren. In 1720 had het bakkersgilde een eigen altaar in de kathedrale kerk in Roermond.

In de 18e eeuw waren er ook in de dorpen steeds meer bakkers. Daar werd het beroep vaak gecombineerd, bijvoorbeeld met dat van kremer of slager. De meeste mensen bakten echter nog steeds zelf in het eigen of gemeenschappelijk bakhuis dat bij vrijwel iedere boerderij of groepje huizen te vinden was. Meestal werd hier gebakken voor meerdere dagen, om zo economisch om te gaan met de dure brandstof.
In de stad trad intussen verdere specialisatie op. Een akte uit 1881 noemt Franciscus Hubertus Bloemen als banketbakker wonend te Venlo. In 1884 was Johannes Walterus Clout banketbakker te Roermond.

Broodbakkers te Roermond, 21 augustus 1568

ROERMOND - In opdracht van de koning verschijnt voor burgemeesters en schepenen van Roermond jonker Maximiliaen 't Sairaets met een bevel en instructie van de heer van Barlemont, gouverneur van Namen, commissaris-generaal der victualieën, dat de stad zal afkondigen dat een ieder die buiten de stad graan heeft dit terstond gedorst binnen de stad moet brengen; de bakkers van de stad te vergaderen om te vernemen hoe groot hun aantal is en hoeveel ponden brood zij dagelijks kunnen bakken en tegen betaling naar het leger sturen, alsmede te vragen hoeveel graan zij in voorraad hebben of binnen 8 à 10 dagen kunnen krijgen; enkele wijntaveniers en vleeshouwers te vragen met hun waren naar het leger te trekken; van de brouwers van de stad te vernemen hoeveel tonnen bier zij aan het leger kunnen leveren; alle zolders in de stad op aanwezigheid van graan te inspecteren en een lijst daarvan te maken; te vernemen hoeveel water‑ en windmolens er in de jurisdictie zijn en wat die kunnen malen.
Na opgave van de namen van de wit‑ en bruinbroodbakkers in Roermond verklaren de bakkers dat zij met 32 personen zijn en 30 ovens bezitten; 20 van hen zijn bakkers van witbrood, 12 van bruidbrood. De 20 witbroodbakkers kunnen 30 malder per dag bakken, de bruinbroodbakkers 30 malder roggebrood. Zij verklaren niet meer dan 40 malder graan in voorraad te hebben, doch bereid te zijn brood aan het leger te leveren tegen betaling.

Volksvoeding, Beesel 1874

Gemeente Beesel.

De grond over het algemeen, is zanderig en droog. Slechts enkele drooggelegde moeras- en broekgronden zijn kleiachtig.
De landbouwer en zijn dienstpersoneel, de boerenarbei­der en zijn gezin, de handwerks­lieden, allen volgen bijna denzelfden leefregel (fabrieksarbeiders zijn er niet).
Hun morgeneten is gewoonlijk koffij met zwart roggebrood, terwijl voor de kinderen en min volwassen, meer van melkerij wordt gebruik gemaakt.
Het middageten bestaat uit aardappelen met groentens, boonen, erwten naar gelang het saisoen, weinig varkens­vleesch en de overoud gebruikelijke spekkoek (boekweitmeel tot koek gebakken met spek daarin).
Het avondeten bestaat bijna onveranderlijk op alle werkdagen uit aardappelen en karnemelk.
Deze voormelde klasse, maakt bijna uitsluitend gebruik van varkensvleesch, meer of minder naar gelang van hunne wel­vaart en gegoedheid.
Bij de gegoede klasse wordt meer gebruik gemaakt van rund- en kalfsvleesch.
De hoofddrank is het bier, hetgeen meer versch dan oud ge­dronken wordt. Van sterken drank wordt weinig gebruik ge­maakt, misbruik komt zelden voor.
Van al de broodsoorten wordt het rogge zwartbrood het meeste gebruikt. De rogge wordt zoo van den molen, met zuurdeessem aange­zet en tot brood bereid.
De voeding van het kind in zijn eerste levensjaar is hoofdza­kelijk de moedermelk. Het surrogaat is suikerwater en koe­melk.

Beesel 7 December 1874

Burgemeester en Wethouders.

Geneeskundig Staatstoezicht in Limburg."

Persoonlijke instellingen